Conclusie A-G IJzerman 23 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:51

In geschil is of belanghebbende voor zijn betaling van parkeerbelasting enkel mocht uitgaan van de informatie van een parkeerapp waaraan de gemeente medewerking verleent, zonder borden op straat te raadplegen. Het gaat om het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 juni 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2248. Belanghebbende heeft op 30 juni 2017 zijn auto geparkeerd in de Utrechtsestraat in de gemeente Tilburg. Hij heeft online, via een parkeerapp op zijn mobiele telefoon, parkeerbelasting voldaan voor één uur parkeren. Dat is gedaan op basis van de informatie gegeven door de parkeerapp. De parkeerapp gaf als mogelijkheid aan dat aldaar gedurende maximaal één uur geparkeerd kon worden tegen een tarief van € 2,20. Daarvan uitgaande heeft belanghebbende dat gedaan. Echter, het was in feite zo dat het aldaar alleen mogelijk was te parkeren tegen betaling van een dagticket. Bij het inrijden van de Utrechtsestraat, een eenrichting straat, komt de automobilist langs een bord waarop is aangegeven dat het hier een parkeerzone betreft voor betaald parkeren met daaronder een apart onderbord met de tekst ‘alleen dagticket’. Die borden waren goed leesbaar, maar belanghebbende heeft die niet gezien. Een parkeercontroleur heeft ter plekke de fout ontdekt en heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd tot op het dagtarief. Het procedurele standpunt van belanghebbende kan als volgt worden weergegeven. De Gemeente is contractueel (indirect) in zee gegaan met het bedrijf Park-line dat de app heeft vervaardigd. De Gemeente heeft zich contractueel verbonden om ten behoeve van de actualiteit van de app, Park-Line tijdig op de hoogte te brengen van relevante wijzigingen van parkeerverordeningen, gebiedsindelingen en tariefstructuren. Nu de Gemeente via haar website de parkeerapp van Park-line faciliteert en die de onjuiste parkeerinformatie ‘online’ aan belanghebbende heeft verstrekt, moet dat volgens belanghebbende komen voor rekening en risico van de Gemeente. Belanghebbende stelt voorts enkel op de app te mogen vertrouwen. Hij acht zich niet gehouden om de door de app gegeven informatie te verifiëren aan de hand van parkeerinformatie die ‘offline’ beschikbaar is, met name op door de Gemeente geplaatste borden en parkeerapparatuur. Aanvullend heeft belanghebbende gesteld dat hij temeer enkel mocht vertrouwen op de app, omdat hierin niet wordt vermeld dat de ‘online’ geleverde informatie door de gebruiker van de app moet worden vergeleken met andere parkeerinformatie, zoals die vermeld op borden. Op grond van een en ander stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. De Rechtbank en het Hof zijn daarentegen gekomen tot het oordeel dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht door geen kennis te nemen van de informatie op de geplaatste borden. Daarom is de heffingsambtenaar in het gelijk gesteld. Belanghebbende komt thans in cassatie op tegen de Hofuitspraak, onder aanvoering van drie middelen, waarin wordt voortgebouwd op zijn eerdere stellingen. De A-G vermeldt dat uit een door de Hoge Raad in 1995 gewezen arrest kan worden afgeleid dat een gemeente de verplichting heeft om parkeerders duidelijk te informeren. Ook fysiek, zoals door op parkeermeters en borden informatie te verschaffen over de verschuldigdheid van parkeerbelasting en de tariefstelling. Het komt de A-G voor dat aan de door de Hoge Raad hier aan de gemeenten gegeven instructie alleen maar een zinvolle betekenis kan toekomen als er vanuit wordt gegaan dat tegenover de plicht van een gemeente om duidelijke informatie te verschaffen, de plicht van de parkeerders staat om die informatie tot zich te nemen. Verder wijst de A-G erop dat in de hier toepasselijke wijze van heffing bij wege van voldoening op aangifte, het initiatief en de uitvoering zijn gelegd bij de belastingplichtige zelf. Op deze rust de plicht om de relevante feiten goed op een rij te zetten voordat hij de verschuldigde parkeerbelasting voldoet. In dat kader dient een belastingplichtige parkeerder volgens de A-G mede acht te slaan op wat in verband daarmee op straat te zien is. De A-G meent dat er geen enkele wettelijke grondslag is om daarover een anders te gaan denken als in gemeentelijke regelgeving (mede) is voorzien in digitale betaling via een app. Nu die grondslag ontbreekt, ziet de A-G geen reden om te vergen dat in de app het tegendeel zou zijn opgenomen, namelijk dat de parkeerder wel op de borden en parkeerautomaten moet letten. Zo een ‘disclaimer’ is volgens de A-G overbodig, omdat een parkeerder toch al de verplichting heeft goed om zich heen te kijken als hij ergens wil gaan parkeren. Volgens de A-G geldt dat belanghebbende zowel verantwoordelijk is voor het gebruik van een app als voor kennisneming van de fysiek waarneembare informatie. Die moet hij met elkaar vergelijken. Als de informatie in de app afwijkt van de fysieke informatie geldt deze, als rechtstreeks afkomstig van de Gemeente. Het lijkt de A-G niet aanvaardbaar dat een app - die als zodanig geen rechtstreekse informatie bevat, maar zelf verzamelde informatie - die rechtstreekse, fysieke informatie opzij zou kunnen zetten. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken