Conclusie A-G Niessen 30 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:432
A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over het inkomensgegeven. De belanghebbende ontvangt toeslagbeschikkingen en komt op tegen de daarin vermelde inkomensgegevens van haar ex-partner. Formele en inhoudelijke kwesties. Ten name van belanghebbende zijn voor de jaren 2013 en 2014 toeslagbeschikkingen genomen, gebaseerd op de inkomensgegevens van belanghebbende en haar toenmalig toeslagpartner (hierna: de ex-partner) ten bedrage van respectievelijk € 32.393 en € 19.000 voor het jaar 2013 en € 21.113 en € 19.000 voor het jaar 2014. Belanghebbende heeft tegen de toeslagbeschikkingen bezwaar gemaakt met de klacht dat de inkomensgegevens van haar ex-partner naar een te hoog bedrag zijn vastgesteld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de bezwaren doorgezonden aan de inspecteur. De Inspecteur heeft belanghebbendes bezwaar met betrekking tot het jaar 2013 afgewezen en voor het jaar 2014 niet-ontvankelijk verklaard. De Rechtbank heeft beslist dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in haar bezwaren over de inkomensgegevens van haar ex-partner. Het Hof heeft daarentegen geoordeeld dat belanghebbende wel ontvankelijk is in haar bezwaren. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat op de ten name van de ex-partner gestelde aanslagen IB/PVV 2013 en 2014 de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is. Deze bewijsregel werkt, aldus het Hof, door in de beoordeling van belanghebbendes bezwaren tegen de hoogte van de inkomensgegevens van haar ex-partner. Naar oordeel van het Hof heeft belanghebbende met hetgeen zij in de procedure bij het Hof heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat de hoogte van de inkomensgegevens van haar ex-partner naar een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De A-G behandelt ambtshalve eerst de vraag of belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaren. Naar de mening van de A-G is dit niet het geval. De A-G merkt op dat het inkomensgegeven dat wordt vermeld op de toeslagbeschikking niet een voor bezwaar vatbare beschikking is, maar slechts de bekendmaking betreft van vaststellingen van inkomen door de inspecteur bij de aanslag of een bij een andere voor bezwaar vatbare beschikking. Tegen die achterliggende wél voor bezwaar vatbare beschikkingen staat voor belanghebbende geen beroep open omdat zij met betrekking tot die beschikkingen niet als beroepsgerechtigde in de zin van artikel 26a AWR wordt aangemerkt. Voorts betoogt de A-G dat noch jurisprudentie van de Hoge Raad noch artikel 1 EP EVRM zijns inziens met zich brengen dat belanghebbende in het onderhavige geval als beroepsgerechtigde moet worden beschouwd. De uitspraak van het Hof moet aldus de A-G op de ambtshalve aanwezig bevonden grond worden vernietigd. Voor het geval dat de Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende wel ontvankelijk is in haar bezwaren, gaat de A-G in op belanghebbendes klachten. Belanghebbendes eerste klacht, die uiteen valt in diverse onderdelen, houdt in dat de omkering en verzwaring van de bewijslast ten onrechte zijn toegepast bij de vaststelling van de aanslagen ten name van de ex-partner. Het eerste klachtonderdeel stelt aan de orde dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat niet in geschil is dat de ex-partner is uitgenodigd en aangemaand tot het doen van aangifte omdat zij tijdens de zitting heeft gemeld dat zij niet weet of dat het geval is. Dit klachtonderdeel faalt naar de mening van de A-G. Noch de gedingstukken, noch het P-V dan wel de uitspraak van het Hof geven enige blijk van een zodanige melding. Het tweede klachtonderdeel behelst de klacht dat belanghebbende niet kan worden verweten niet de vereiste aangifte te hebben gedaan. Dit klachtonderdeel faalt eveneens omdat de omkering en verzwaring van de bewijslast een bestuurlijke sanctie betreft en niet een punitieve, aldus de A-G. Het derde klachtonderdeel bevat de klacht dat de sanctie in het onderhavige geval te zwaar is in het licht van de overtreding. Dit klachtonderdeel faalt ook, volgens de A-G. De sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast is in het onderhavige geval gerechtvaardigd omdat de Inspecteur met betrekking tot de vaststelling van de aanslag van de ex-partner is geconfronteerd met een bewijsprobleem. De tweede klacht richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de omkering en verzwaring van de bewijslast ‘doorwerkt’ in de onderhavige procedure. Deze klacht slaagt naar het de A-G voorkomt evenmin, gelet op het vorenstaande. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond moet worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 21 AWR
- Artikel 21c AWR
- Artikel 21f AWR
- Artikel 21j AWR
- Artikel 21k AWR
- Artikel 22j AWR
- Artikel 25 AWR
- Artikel 26a AWR
- Artikel 27e AWR
- Artikel 64 AWR
- Artikel 9 LB
- Artikel 30 WOZ
- Artikel 2.18 Wet IB 2001
- Artikel 9.6 Wet IB 2001
- Artikel 2 Awir
- Artikel 7 Awir
- Artikel 8 Awir
- Artikel 14 Awir
- Artikel 15 Awir
- Artikel 6 EVRM
Aangehaalde uitspraken
- EHRM 12 december 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:1212JUD003214110
- HR 13 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1315
- Hof Amsterdam 25 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2243
- ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:406
- ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4162
- HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1106
- HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:359
- HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675
- HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:160
- Rb. Noord-Holland 18 januari 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:317
- HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:4
- HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2169
- EHRM 17 maart 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:0317DEC004731513
- EHRM 10 februari 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:0210JUD005308013
- HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:166
- HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2684
- Conclusie A-G Wattel 20 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:481
- HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:268
- ABRvS 8 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3915
- ABRvS 13 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8169