Conclusie A-G Ettema 1 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:314

Belanghebbende houdt zich bezig met de productie van en de handel in tabaksproducten. Zij heeft een vergunning voor een accijnsgoederenplaats (agp) voor tabaksproducten. Zij doet maandelijks aangifte voor de producten die zij uit haar agp heeft uitgeslagen. Op 31 juli 2015 heeft belanghebbende voor de maand juni 2015 een bedrag van € 35.801.806 aan accijns op aangifte voldaan. Volgens de aangifte gaat het om 230.115 kg rooktabak en 86.934.000 sigaretten. Tegen de voldoening op aangifte heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij verzocht om een teruggaaf van € 105.381. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 7 maart 2019 ongegrond verklaard. Voor de Rechtbank was in geschil of de minister de accijnstarieven voor sigaretten en rooktabak van artikel 35 WA per 1 april 2015 op de juiste wijze heeft vastgesteld en hij daarbij is gebleven binnen de grenzen van artikel 36 WA. De Rechtbank overweegt in haar uitspraak dat tussen partijen niet in geschil is dat zowel de door de minister vastgestelde tarieven als de tarieven die belanghebbende voorstaat, rekenkundig passen binnen het wettelijk kader zoals dat volgt uit artikel 36 WA. Uit de wetgeschiedenis leidt de Rechtbank vervolgens af dat de wetgever naast het bepaalde in artikel 36 WA geen bijkomende voorwaarden of beperkingen heeft willen stellen aan de bevoegdheid van de minister om de accijnstarieven vast te stellen. Naar het oordeel van de Rechtbank passen de per 1 april 2015 vastgestelde tarieven daarom binnen het wettelijk kader van artikel 36 WA. Uit de toelichting op de wijziging van de WA per 1 juli 2011 kan de Rechtbank niet afleiden dat de minister de tarieven had moeten vaststellen op grond van een vast systeem van berekeningsstappen. De Rechtbank oordeelt dat verder geen rechtsregel de minister verplicht om jaarlijks dezelfde systematiek te hanteren. Daarbij heeft de Rechtbank de toelichting van de minister op zijn per 1 april 2015 gehanteerde berekeningswijze betrokken. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in (sprong)cassatie ingesteld. Belanghebbende betoogt in cassatie dat de uitspraak van de Rechtbank getuigt van een onjuiste interpretatie van artikel 36 WA en de wijze waarop de minister de daarin gegeven bevoegdheid dient aan te wenden. Volgens belanghebbende moet bij het vaststellen van de accijnstarieven onderscheid worden gemaakt tussen de politieke besluitvorming (wetgevende bevoegdheid) en de verschillende momenten die binnen de WA een rol spelen bij het vaststellen, toetsen en, waar nodig, aanpassen van de tarieven (uitvoering). De politieke besluitvorming vindt gebruikelijk plaats als onderdeel van het jaarlijkse belastingplan, waarin is vastgelegd of, en in welke mate, de accijns moet worden verhoogd. Los daarvan wordt jaarlijks getoetst of de accijnstarieven nog voldoen aan de in de WA neergelegde minimumnormen. Deze toetsing vindt plaats omdat de WAP kan zijn gewijzigd. De minister heeft de bevoegdheid gekregen de tarieven aan te passen of bij te stellen. Dit betreft een uitzondering op het normale wetgevingsproces dat geldt bij het vaststellen van belastingtarieven. Belanghebbende voert aan dat de minister bij de aanpassing van de tarieven per 1 april 2015 een van andere jaren afwijkende methodiek heeft gebruikt. Hij heeft eerst een nieuwe ‘totale accijns’ berekend op basis van de in artikel 35(1)b en c WA vermelde tarieven per 1 januari 2015 met gebruikmaking van de nieuwe WAP, vervolgens de accijnsverhoging van 1 januari 2015 bijgeteld en zo een nieuwe minimumaccijns vastgesteld en ten slotte deze nieuwe minimumaccijns vertaald naar de bijbehorende onderliggende tarieven. Belanghebbende meent dat deze afwijkende procedure (d.w.z. het zelfstandig verhogen van de wettelijk vastgestelde minimumaccijnsbedragen) geen wettelijke basis vindt in artikel 36 WA. De accijnsverhoging per 1 januari 2015 was al verwerkt in de in artikel 35(1)b en c WA vermelde tarieven per 1 januari 2015 en de minister mocht deze verhoging daarom niet nog eens bijtellen. De wetgever heeft slechts een beperkte bevoegdheid verleend aan de minister. In de wetgeving is opgenomen dat de bevoegdheid enkel een toetsing inhoudt van de in artikel 35(1)b en c WA vermelde tarieven bij een wijziging van de WAP. Aangezien de minister eerst de wettelijke minimumaccijnsbedragen heeft verhoogd alvorens die bedragen te toetsen aan artikel 36 WA, is de minister buiten de hem verleende bevoegdheid getreden. De bedragen aan minimumaccijns, zoals vastgesteld per 1 januari 2015, voldoen aan de wettelijke norm en alleen de onderverdeling in een ad-valoremheffing en een specifieke heffing behoefde een bijstelling. De Staatssecretaris betoogt dat bij de aanpassing van de tarieven op 1 april 2015 niet alleen de aanpassing van de WAP in de tarieven moest worden verdisconteerd, maar dat ook de wens van de wetgever tot verhoging van de minimumaccijnstarieven per 1 januari 2015 moest worden meegenomen. Zou dat niet gedaan zijn, dan was de door de wetgever beoogde verhoging van de minimumaccijnstarieven met ingang van 1 januari 2015 door de aanpassing van de tarieven vanwege de WAP op 1 april 2015 weer deels ongedaan gemaakt. Hij concludeert dat het aan de minister is om te bepalen wat het gevolg is van een wijziging van de WAP, zolang dat past binnen de bandbreedten van artikel 36 WA. De minister heeft met de onderhavige wijziging per 1 april 2015 juist gehoor gegeven aan de wensen van de wetgever. In hoofdstuk 2 van de conclusie bespreekt A-G Ettema de relevante wettelijke bepalingen van Unierecht en nationaal recht. In dat hoofdstuk behandelt de A-G voorts de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 36 WA alsmede de wijze waarop het accijnstarief voor tabaksproducten in de periode 1 juli 2011 tot 1 januari 2017 tot stand is gekomen. In hoofdstuk 3 besteedt de A-G aandacht aan de tariefwijziging per 1 januari 2015, die uiteindelijk aanleiding heeft gegeven tot het verschil van inzicht tussen partijen. In hoofdstuk 4 gaat de A-G ten slotte in op de vraag hoe de delegatiebepaling van artikel 36 WA moet worden uitgelegd. Anders dan waarvan de partijen in deze procedure kennelijk uitgaan, concludeert de A-G dat de wetgever op 1 januari 2015 niet enkel de minimumaccijns heeft verhoogd maar die verhoging ook heeft doorberekend in de onderliggende accijnstarieven. Dit brengt mee dat de minister de accijnstarieven op 1 april 2015 eerder te laag dan te hoog heeft vastgesteld. Op grond daarvan falen de cassatieklachten. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken