Conclusie A-G Ettema 27 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:181
Plaats van dienst arbeidsbemiddeling beroepssporters: artikel 6a Wet OB 1968 van toepassing? Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding. Passeren aanbod getuigenbewijs. A-G Ettema heeft conclusie genomen over de plaats van dienst van het bemiddelen bij het tot stand komen van arbeidsovereenkomsten tussen beroepssporters en buitenlandse sportclubs, zowel voor als na de wijziging van de regels over de plaats van dienst van 1 januari 2010. Aan het slot van de conclusie worden ook klachten over de (niet-)ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende besproken. Belanghebbende in deze zaak heeft bemiddeld bij het tot stand komen van arbeidsovereenkomsten tussen volleybalspeelsters met de Nederlandse nationaliteit en buitenlandse volleybalclubs. Voor die bemiddeling heeft zij van laatstgenoemden vergoedingen ontvangen, onder meer in 2009 en 2011. In geschil is of die diensten voor de heffing van omzetbelasting in Nederland hebben plaatsgevonden. In cassatie rijst in het bijzonder de vraag of de plaatsbepalingsregel voor diensten van tussenpersonen van artikel 6a Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) van toepassing is en, zo ja, hoe de regel dan uitwerkt. Tot 2010 was de plaats van dienst op grond van onderdeel c van het derde lid van dit artikel de plaats waar de onderliggende prestaties overeenkomstig de Wet OB worden verricht. Sinds 2010 is in artikel 6a Wet OB in grote lijnen nog dezelfde regel te vinden, maar nog slechts voor het geval dat de afnemer niet een ondernemer is in de zin van artikel 7 Wet OB. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) heeft de door belanghebbende in 2009 verleende diensten als bemiddeling aangemerkt, anders dan de rechtbank Gelderland in eerste aanleg. Het Hof heeft op grond van artikel 6a(3)c Wet OB (oud) de plaats van dienst gesitueerd op de plaats waar de arbeid op grond van de arbeidsovereenkomst wordt verricht. Naar zijn oordeel leidt dit tot een rationeel resultaat. In het midden is gelaten wie de afnemers zijn, omdat de plaats van dienst hoe dan ook in het buitenland is gelegen. Het hoger beroep van belanghebbende over 2011 heeft het Hof niet ontvankelijk verklaard op de grond dat het hogerberoepschrift buiten de termijn is ontvangen en belanghebbende een tijdige terpostbezorging niet aannemelijk heeft gemaakt. Naar aanleiding van het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën bespreekt de A-G eerst kort de fiscale gevolgen van betalingen aan intermediairs en zaakwaarnemers in de beroepssport in een breder verband. Vervolgens concludeert zij dat de plaatsbepalingsregel in zowel het oude artikel 6a(3)c als het huidige artikel 6a Wet OB niet slechts geldt voor bemiddeling in verband met het intracommunautaire handelsverkeer, maar ook voor bemiddeling bij andersoortige prestaties. Het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Lipjes leidt niet tot een andere slotsom. Verder kan de door de volleybalspeelsters te verrichten arbeid volgens de A-G worden beschouwd als de – zij het niet als ondernemer verrichte – prestatie (dienst onder bezwarende titel) waar de plaats van de bemiddelingsdienst zich naar kan richten. Die dienst heeft het karakter van een sportieve activiteit. Voor het jaar 2009 is de plaats van een dergelijke dienst op grond van artikel 6(2)c Wet OB (oud) daar waar de diensten feitelijk plaatsvinden. In het jaar 2011 is het een dienst die op grond van artikel 6(1) Wet OB is belast daar waar de clubs zijn gevestigd. Omdat feitelijk vaststaat dat beide plaatsen in het buitenland zijn gelegen, heeft het Hof terecht beslist dat voor belanghebbendes arbeidsbemiddeling niet in Nederland omzetbelasting is verschuldigd. Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris betreffende het jaar 2009 is ongegrond. Het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende betreffende het jaar 2011 treft hetzelfde lot. Belanghebbende gaat voorbij aan vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 24 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3541
- Rb. Gelderland 8 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2440
- Rb. Gelderland 30 januari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:369
- HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU8262
- HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7470
- HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2138
- Rb. Amsterdam 17 november 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BP8891
- Conclusie A-G Van Kalmthout 14 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE9360
- HR 6 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7319
- Hof 's-Gravenhage 8 juni 2001, ECLI:NL:GHSGR:2001:AV6180
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1994:80
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1995:463
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1996:355
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2000:201
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2004:19
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2004:325
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:450
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:388