Conclusie A-G Ettema 30 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1145
A-G Ettema heeft conclusie genomen in een zaak waarin de vraag centraal staat of op grond van de wettelijke bepalingen recht bestaat op teruggaaf van accijns voor uit veraccijnsde benzine teruggewonnen damp die wordt gebruikt als grondstof voor de vervaardiging van benzine. Belanghebbende is een in Nederland gevestigde onderneming die zich bezighoudt met de productie, opslag, distributie en handel van en in minerale oliën. Zij produceert onder meer ongelode lichte olie (benzine) en levert die aan diverse tankstations in Nederland. Belanghebbende beschikt over een vergunning voor een accijnsgoederenplaats (agp). In januari 2016 heeft zij ter zake van de uitslag van benzine uit de agp accijns voldaan op aangifte. Bij de levering van de benzine vindt verdamping van de benzine plaats, met name in de opslagtanks van de tankstations en in de tanks van de auto’s van klanten van de tankstations. De benzinedamp uit de auto’s van klanten wordt bij het tanken verdreven en teruggevoerd in de opslagtanks van de tankstations en samen met de verdampte benzine uit die opslagtanks verdreven en teruggevoerd in de tankwagens van belanghebbende bij de aflevering van nieuwe benzine. Met behulp van dampretoursystemen en dampterugwinningsinstallaties wordt benzine in vloeibare vorm verkregen. Tot 1 januari 2016 gold een goedkeuring van de staatssecretaris van Financiën ter ondervanging van de meermalige accijnsheffing bij de uitslag van de in de agp in vloeibare vorm teruggebrachte benzinedamp. Op grond van deze goedkeuring mocht een korting worden toegepast van 1,7 liter per 1000 liter bij een temperatuur van 15ºC. De korting werd toegepast op de uit de agp uitgeslagen ongelode lichte olie. Deze goedkeuring was ook vastgelegd in de vergunning van belanghebbende. De zogenoemde dampretourregeling is per 1 januari 2016 ingetrokken en de vergunning van belanghebbende is aangepast in die zin dat geen gebruik meer mag worden gemaakt van de kortingsregeling. De rechtbank Den Haag heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag belanghebbende in het gelijk gesteld en de op aangifte voldane accijns met 0,17 percent verminderd. Het Hof heeft overwogen dat het uit de door belanghebbende ingezamelde retourdamp in vloeibare vorm teruggebrachte product feitelijk is te vereenzelvigen met ter zake van een eerdere uitslag uit de agp veraccijnsde benzine. Ongeacht de verschijningsvorm van wat door belanghebbende in de agp wordt ingeslagen (vloeibaar of in dampvorm) is de substantie, juist ook qua aanwendingsmogelijkheden en gebruikskenmerken, te karakteriseren als (al veraccijnsde) benzine. Dit brengt naar ’s Hofs oordeel met zich dat het telkens heffen van accijns over de volledige hoeveelheid uit de agp uitgeslagen benzine leidt tot een voor een deel rechtens ongeoorloofde meermalige belasting. Naar het oordeel van het Hof staan nationale en Unierechtelijke accijnsregelingen, gelet op doel en strekking, in een geval als dit niet toe dat over al veraccijnsde benzine nogmaals accijns wordt geheven. Voor de berekening van de hoeveelheid van de al in de heffing van accijns betrokken benzine sluit het Hof aan bij de berekeningswijze van de kortingsregeling die heeft gegolden volgens de per 1 januari 2016 ingetrokken goedkeuring van de staatssecretaris van Financiën. De staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Volgens A-G Ettema verplicht het Unierecht de lidstaten niet een vrijstelling of teruggaaf van accijns te verlenen in een geval als dit. Wel geeft het de lidstaten een bevoegdheid accijns op verzoek terug te geven of kwijt te schelden. Omdat aan belanghebbende een vergunning agp is verleend voor de vervaardiging van minerale oliën en de benzinedamp binnen haar agp wordt gebracht, zou de teruggaafregeling van artikel 71(1)d WA in het geval van belanghebbende soelaas kunnen bieden. Het product dat binnen de agp wordt gebracht moet dan een minerale olie zijn. Dat is zo indien het product valt binnen de omschrijving van artikel 25 WA. De A-G meent dat de zaak moet worden verwezen naar een ander gerechtshof voor een onderzoek naar de vraag hoe de benzinedamp is samengesteld. Als de uitkomst van dit onderzoek is dat de damp een minerale olie is als bedoeld in artikel 25 WA, kan de teruggaafregeling van artikel 71(1)d WA toepassing vinden. Het betoog van de Staatssecretaris dat teruggaaf op grond van die bepaling niet mogelijk is als de damp onder postonderverdeling 2711 29 00 of postonderverdeling 2710 11 90 valt omdat het accijnstarief voor dat accijnsgoed nihil is, kan volgens de A-G niet als juist worden aanvaard. Voor toepassing van de teruggaafregeling gaat het slechts erom of een accijnsgoed binnen de agp wordt gebracht waarvoor eerder accijns is geheven. Zij bepleit een uitleg van de teruggaafregeling die meebrengt dat teruggaaf ook mogelijk is indien een minerale olie binnen de agp wordt gebracht die is ontstaan of voortgekomen uit een andere minerale olie waarvoor in het verleden accijns is voldaan. De ingeslagen minerale olie hoeft dan niet een product is te zijn van dezelfde GN-code als de minerale olie waarvoor eerder accijns is voldaan, als beide soorten maar minerale oliën zijn als bedoeld in artikel 25 WA. Wel kan deze benadering tot bewijsproblemen aanleiding geven bij de berekening van het bedrag aan accijns dat in het verleden is voldaan voor de ongelode lichte olie waaruit de gedurende een tijdvak in de agp gebrachte damp afkomstig is, die A-G Ettema aan het slot van haar conclusie belicht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1861
- Hof Den Haag 28 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2182
- Conclusie A-G Ettema 13 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:425
- HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8250
- HR 9 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3790
- HR 27 januari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AX6839
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:407
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:788
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:184
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:488
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:817