Conclusie A-G Niessen 30 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:973

A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak betreffende belastingheffing over de door belanghebbende in 2014 ontvangen nabetaling van salaris over een periode van 5 jaar. Belanghebbende heeft na in 2008 verleend ontslag daartegen geprocedeerd. Na hiertegen gericht bezwaar, beroep en hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 19 december 2013 beslist dat het ontslagbesluit herroepen dient te worden en dat aan belanghebbende rechtsherstel dient te worden geboden. Als gevolg van deze uitspraak heeft belanghebbende over de periode 2009 tot en met 2013 in 2014 nabetaling van salaris ontvangen. De Inspecteur belastte de nabetaling in de aanslag over 2014. Belanghebbende is hiertegen tevergeefs in bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen. Belanghebbende stelde daarna beroep in cassatie in. Hij betoogt dat de heffing over het volledige bedrag in één keer een progressienadeel oplevert dat in strijd is met de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001. De A-G meent evenwel dat de betreffende passage slechts inhoudt dat de indiener van het wetsvoorstel de hantering van bijzondere tarieven in de inkomstenbelasting niet meer nodig achtte omdat het algemene tarief werd verlaagd. De wet voorziet als maatregel tegen een progressienadeel in de middelingsregeling. Tevens voert belanghebbende aan dat de nabetaalde salaristermijnen eerder rentedragend waren geworden. Belanghebbende wijst hierbij op de moratoire interessen. Volgens vaste rechtspraak kunnen deze evenwel niet als rente in de zin van art. 3.146 Wet IB 2001 worden aangemerkt. Naar de A-G uitvoerig betoogt is er geen goede grond om deze interessen – die wat dit betreft niet gelijk kunnen worden gesteld met ‘gewone’ rente – wel als zodanig te beschouwen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken