Conclusie A-G Niessen 2 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:859
A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 18/02266. In geschil is of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan, wat de waarde is van de door belanghebbende op 14 november 2006 verkregen certificaten van aandelen (hierna: ‘cva’) en of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van art. 2, lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: ‘het Besluit’). De door belanghebbende op 14 november 2006 gesloten arbeidsovereenkomst bracht met zich mee dat hij zou gaan deelnemen in het gewone aandelenkapitaal van [C] B.V. (hierna: ‘[C]’). De levering van de cva [C] heeft plaatsgevonden tegen betaling van de nominale waarde van de aandelen. Terzake van het verkregen economische belang in [C] is in de aangifte van belanghebbende geen inkomen uit werk en woning vermeld. De Inspecteur heeft een navorderingaanslag opgelegd, omdat hij van mening is dat de cva [C] een veel hoger waarde hadden dan de nominale waarde. De Staatssecretaris komt in cassatie tegen het oordeel van het Hof dat de bewijslast niet wordt verzwaard en omgekeerd vanwege het niet doen van de vereiste aangifte. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende een pleitbaar standpunt had ten aanzien van de waarde van de cva [C], omdat de Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur er niet in is geslaagd om hogere waarde aannemelijk te maken. Naar mening van de A-G slagen de klachten tegen dit oordeel, omdat een stellingname over een feitelijke kwestie geen pleitbaar standpunt kan zijn. Verwijzing moet volgen voor onderzoek naar de vraag of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris klagen over het oordeel van het Hof ten aanzien van de waarde van cva [C] op 14 november 2006. De middelen falen, aldus de A-G. Het stond het Hof vrij om de waarde in goede justitie vast te stellen. Verder is het oordeel niet onbegrijpelijk, van feitelijke aard en gaat het ook overigens niet uit van onjuiste rechtsopvatting. De klacht van belanghebbende over ’s Hofs oordeel over de proceskostenvergoeding faalt naar mening van de A-G ook. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond en dat van de Staatssecretaris van Financiën gegrond dient te worden verklaard, en dat het geschil ter verdere behandeling wordt verwezen naar een gerechtshof.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3620
- HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:4
- HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638
- Rb. Gelderland 23 februari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:883
- Rb. Den Haag 21 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7172
- HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:31
- HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7194
- HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2995
- HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5026
- HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9136
- HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083
- HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK1488
- HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7728
- HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9493
- HR 5 februari 1969, ECLI:NL:HR:1969:AX5888