Conclusie A-G Paridaens 23 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:411

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 17/05551 en 17/05552P.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

Nr. 17/05550

Zitting: 23 april 2019 (bij vervroeging)

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

1 De verdachte is bij arrest van 8 november 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

2 Er bestaat samenhang met de zaken 17/05551 en 17/05552. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3 Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens de verdachte geen middelen van cassatie voorgesteld.

4 Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

5 Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Aangehaalde artikelen

Verbonden uitspraken