Conclusie A-G Niessen 16 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:407

Erflater heeft op 31 december 2012 een bv opgericht (hierna: de B.V.). Op diezelfde dag heeft hij een bedrag van € 1.500.000 gestort op de kwaliteitsrekening van de notaris onder de vermelding “Agiostorting de B.V.” Dit bedrag is vervolgens op 21 januari 2013 op de bankrekening van de B.V. gestort. Verder is op de TBS-balans van erflater per 1 januari 2013 een bedrag van € 90.000 opgenomen met de omschrijving “liqmiddelen int sparen”. Naar ’s Hofs oordeel heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de erflater op 31 december 2012 niet verplicht was tot de storting. Het enkel overmaken van het bedrag op de derdenrekening van de notaris leidt er niet toe dat het bedrag het vermogen van erflater heeft verlaten. De belanghebbenden zijn hiertegen in cassatie gekomen. Zij klagen erover dat het Hof heeft beslist dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag van € 1.500.000 het vermogen van de erflater per 1 januari 2013 niet heeft verlaten en dat het Hof heeft beslist dat erflater geacht moet worden rechthebbende tot die gelden te zijn gebleven. De A-G overweegt dat de kwaliteitsrekening gebruikt kan worden voor gelden die bestemd zijn om te worden gestort op aandelen. Op basis van onder meer art. 25 Wet op het notarisambt meent de A-G dat het vorderingsrecht voortvloeiende uit de kwaliteitsrekening toebehoort aan de (gezamenlijke) rechthebbende(n). In de zaak van belanghebbenden heeft de erflater het bedrag van € 1.500.000 onverschuldigd overgemaakt naar de kwaliteitsrekening van de notaris en derhalve is erflater rechthebbende gebleven tot de genoemde som. Naar het oordeel van de A-G maakt het vorderingsrecht op 1 januari 2013 deel uit van de rendementsgrondslag van de erflater. Tevens is in geschil of een som van € 90.000 aan liquide middelen tot de rendementsgrondslag behoort. Ten aanzien van dit geschilpunt heeft het Hof zich aangesloten bij de vaststelling van de Rechtbank dat het genoemde bedrag niet vóór 1 januari 2013 op de rekening van de B.V. is gestort en dat niet aannemelijk is gemaakt dat de B.V. het bedrag vóór 1 januari 2013 in haar kas had. Naar ’s Hofs oordeel is de enkele bedoeling om liquide middelen ter beschikking te stellen niet voldoende om de TBS te doen aanvangen. Belanghebbenden komen in cassatie tegen dit oordeel onder verwijzing naar HR, BNB 2010/190. De A-G is het met het Hof eens dat noch de aangehaalde jurisprudentie, noch de tekst of parlementaire geschiedenis bij art. 3.92 Wet IB 2001 de stelling van belanghebbenden kunnen dragen dat de enkele wil van de erflater om liquide middelen ter beschikking te stellen aan de B.V. de terbeschikkingstelling van die middelen doet aanvangen. De conclusie van A-G Niessen strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbenden ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken