Conclusie A-G Niessen 7 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:216

A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 18/03217. Het geschil betreft de vraag of een verlaging van de algemene heffingskorting, ten gevolge van het meenemen van een vrijgesteld EU-inkomen bij de berekening van de hoogte van de algemene heffingskorting, in strijd is met artikel 12 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de EU. Belanghebbende is in loondienst werkzaam bij een instelling van de Europese Unie te [Q] (Portugal). Hij heeft daar een salaris genoten van € 95.331, dat is vrijgesteld van de heffing van Nederlandse IB/PVV. Daarnaast heeft hij een winst uit onderneming van € 7.888 genoten, resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.663, met toepassing van een algemene heffingskorting van € 2.203. De Inspecteur heeft de heffingskorting met € 861 verlaagd tot € 1.342, rekening houdend met het vrijgestelde EU-salaris. Anders dan de Rechtbank, heeft het Hof geoordeeld dat de vermindering van de algemene heffingskorting in strijd is met het EU-recht, in het bijzonder het Protocol, doordat het EU-salaris indirect wordt belast. Dat de algemene heffingskorting rekening houdt met draagkracht van een belastingplichtige, kan daarvoor geen rechtvaardigingsgrond vormen, aldus het Hof. De Staatssecretaris stelt beroep in cassatie in en klaagt dat ’s Hofs oordeel niet in overeenstemming is met de HvJ-jurisprudentie, meer specifiek het arrest Vander Zwalmen en Massart. De algemene heffingskorting moet zijns inziens als een belastingvoordeel worden aangemerkt en niet als onderdeel van het IB-tarief. De algemene heffingskorting werd in het onderhavige jaar ‘verminderd met 2,32% van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat meer bedraagt dan € 19.822, met dien verstande dat de vermindering ten hoogste € 861 bedraagt’ (artikel 8.10, lid 2, Wet IB 2001). A-G Niessen meent dat die verlaging ten gevolge van het meenemen van het vrijgestelde EU salaris in strijd is met artikel 12 Protocol. Gelet op de parlementaire geschiedenis bij de invoering en wijziging van de algemene heffingskorting, meent de A-G dat de algemene heffingskorting onderdeel uitmaakt van het tarief, waardoor met het EU-salaris rekening wordt gehouden voor het bepalen van de uiteindelijke belasting en dat salaris dus indirect wordt belast. De algemene heffingskorting, en dus ook de afbouw daarvan, maakt een wezenlijk deel uit van de berekening van de belastingdruk in de inkomstenbelasting als algemene draagkrachtheffing waarin het vrijgestelde Europese inkomen geen rol mag spelen, aldus de A G. Het komt de A-G voor dat de rechtspraak van het HvJ dienaangaande voldoende duidelijk is om deze conclusie te trekken. Hij acht het middel van de Staatssecretaris ongegrond. De A-G meent bovendien dat het beroep ook los daarvan niet kan slagen omdat – zoals belanghebbende in verweer heeft aangevoerd – de Europeesrechtelijk vrijgestelde inkomsten van belanghebbende niet deel uitmaken van het belastbaar inkomen uit werk en woning en derhalve niet (mede) leiden tot afbouw van de algemene heffingskorting. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken