Conclusie A-G Wattel 25 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:174

aftrek uitgaven voor monumentenpanden (art. 6.31 Wet IB 2001); monumentaal park. (i) Hoe de niet-aftrekbare huurderslasten te bepalen bij een monumentaal park? (ii) In hoeverre worden niet-aftrekbare huurderslasten verminderd door toerekening ervan aan vrijwilligerswerkzaamheden? Feiten: de belanghebbende bezit een monumentaal park waaraan jaarlijks betaald en onbetaald onderhoud door professionele hoveniersbedrijven resp. vrijwilligers wordt gedaan. In de litigieuze jaren heeft de belanghebbende daarvoor een persoonsgebonden aftrek (art. 6.31 Wet IB 2001) gevraagd en verkregen, zij het dat de Inspecteur de aftrek per jaar heeft verminderd met een niet-aftrekbare-huurderslastendrempel ad € 10.000. In geschil is in hoeverre de onderhoudskosten aftrekbaar zijn ex art. 6.31 Wet IB 2001, met name of en zo ja, tot welk bedrag een niet-aftrekbare drempel voor ‘huurderslasten’ in aanmerking moet worden genomen en zo ja, of en in hoeverre die drempel beïnvloed wordt door toerekening van onbetaalde werkzaamheden van vrijwilligers aan die huurderslasten. Rechtbank Gelderland heeft de maatstaf van een Amsterdamse Hofuitspraak (ECLI:NL:GHAMS:2003:AH9844) gevolgd: kosten van tuinonderhoud zijn aftrekbaar onder art. 42a(7) Wet IB 1964 voor zover het gaat om de tuin bij een monumentenpand en zij geen huurderslasten zijn zoals bedoeld in HR BNB 1988/321. De Rechtbank achtte de Inspecteur niet geslaagd in het bewijs dat de onderhoudskosten voor meer dan € 400 per jaar bestonden uit huurderslasten en heeft de beroepen van belanghebbende gegrond verklaard. Ook het Hof Arnhem- Leeuwarden heeft de Amsterdamse uitspraak tot uitgangspunt genomen, maar heeft voor de huurderslasten aangesloten bij de onderhoudskosten van een vergelijkbaar park zonder monumentale elementen. Gezien de omvang van het park achtte het Hof op die basis een niet-aftrekbare drempel van € 10.000 niet te hoog. Hij achtte aannemelijk dat de onbetaalde vrijwilligerswerkzaamheden deels normaal tuinonderhoud betroffen, zodat dat deel de niet-aftrekbare huurderslasten verkleinde. Hij heeft de niet-aftrekbare drempel verlaagd met € 500 tot € 9.500. De belanghebbende stelt vier cassatiemiddelen voor: (i) Het Hof stelt ten onrechte een aftrekdrempel voor huurderslasten; de Amsterdamse uitspraak betrof een niet vergelijkbaar geval van 30 jaar achterstallig onderhoud; (ii) Het gaat bij het huurdersbelang om specifieke posten, niet om een buitenwettelijke algemene drempel. ’s Hofs uitspraak is inconsistent door enerzijds wel maar anderzijds niet aan te sluiten bij de Amsterdamse uitspraak; (iii) Het park behoort niet tot belanghebbendes eigen woning en is opengesteld voor publiek. Het is dus een vrijgestelde box 3 bezitting, zodat überhaupt geen huurderslasten aan de orde zijn, want huurderslasten worden alleen in aanmerking genomen bij een (eigen) woning; (iv) Als toch een drempel hoger dan € 400 moet gelden, is de waarde van de vrijwilligersuren tenminste € 10.000, die nagenoeg geheel (90%) het normale onderhoud betroffen, zodat een niet-aftrekbare drempel niet hoger dan € 1.000 kan zijn. A-G Wattel meent ad middel (iii) dat het berust op een denkfout. Ook als het park geen aanhorigheid van de eigen woning is, komen kosten in verband met eigen gebruik en genot niet in aftrek. Belanghebbende lijkt te stellen dat hij en de zijnen geen gebruik en genot van het park hebben. Dit is onwaarschijnlijk en hoe dan ook een feitelijke stelling die niet voor het eerst in cassatie kan worden ingenomen, zodat het middel faalt. Ad middel (i) en (ii) ziet de A-G twee mogelijke aftrekmaatstaven: (i) aftrekbaar zijn alleen de drukkende kosten die zien op instandhouding van de monumentale elementen die genoemd worden in aanwijzingsbeschikking als monument; of (ii) alle drukkende kosten zijn aftrekbaar, behalve de kosten die een huurder van het park niet zou maken. Beide maatstaven nopen tot een bepaling per kostenpost c.q. factuur of en in hoeverre die objectief ziet op het een of het ander, iets wat het Hof niet heeft gedaan. Toch leidt dit niet tot cassatie nu de Inspecteur aftrek van huurderslasten heeft betwist en die – volgens het Hof kennelijk redelijk – heeft geschat op € 10.000. Dan rust op de belanghebbende de last aannemelijk te maken ofwel dat zich geen gebruik en genot van het park door hem en de zijnen heeft voorgedaan, ofwel per kostenpost/factuur aan te geven of en in hoeverre die ziet op instandhouding van de monumentale parkelementen dan wel op normaal parkonderhoud. Dat heeft hij niet gedaan, zodat ook deze middelen niet tot cassatie leiden. Ad middel (iv) constateert A-G Wattel dat de vrijwilligers niet betaald werden zodat er in zoverre geen ‘drukkende’ kosten ex art. 6.31 Wet IB 2001 waren en dus in zoverre ook geen toegang bestond tot de aftrekregeling, zijns inziens ook niet indirect, via een korting op de niet-aftrekbare huurderslasten. ’s Hofs ‘goede justitie’ toerekening leidt bovendien zichtbaar tot arbitraire aftrekbepaling. Hoewel het middel doel treft, baat dat de belanghebbende dus niet, nu de aanslag niet te hoog is vastgesteld. Ook middel (iv) faalt volgens de A-G. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken