Conclusie A-G Ettema 31 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1384
Dient een ondernemer over een specifiek btw-identificatienummer van zijn afnemer te beschikken om het nultarief voor intracommunautaire leveringen te mogen toepassen? Gevolgen niet-naleving artikel 12(2)a(2o) Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 tot 1 januari 2020. Gevolgen ‘quick fixes’. A-G Ettema heeft conclusie genomen over de vraag of een ondernemer over een specifiek btw-identificatienummer van zijn afnemer moet beschikken om het nultarief voor intracommunautaire leveringen te mogen toepassen. Door het van kracht worden van de zgn. quick fixes, een pakket aan wijzigingen van richtlijn 2006/112/EG (de Btw-richtlijn) op het gebied van de heffing van btw bij grensoverschrijdende goederentransacties binnen de EU, wordt het antwoord op deze vraag vanaf 1 januari 2020 aanmerkelijk belangrijker. Belanghebbende in deze zaak heeft intracommunautair mobiele telefoons geleverd aan een Britse afnemer. Hoewel de telefoons zijn vervoerd naar Duitsland en Polen, heeft de afnemer haar Britse btw-identificatienummer aan belanghebbende doorgegeven. In Duitsland en Polen was zij niet voor btw-doeleinden geïdentificeerd. Verderop in de handelsketen blijkt te zijn gefraudeerd. De Britse autoriteiten hebben het Britse btw-identificatienummer van de afnemer kort na de leveringen van belanghebbende uit het VAT Information Exchange System (VIES) verwijderd vanwege – vrij vertaald – aanwijzingen dat de afnemer een malafide onderneming is. De Inspecteur heeft toepassing van het nultarief geweigerd met als reden dat belanghebbende niet over een Duits en een Pools btw-identificatienummer van haar afnemer beschikt, en aldus niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht om te voorkomen dat zij bij de fraude betrokken zou raken, dan wel wist of had moeten weten van de btw-fraude. Naar het oordeel van Hof ’s-Hertogenbosch hoefde belanghebbende niet over een Duits en een Pools btw-identificatienummer van haar afnemer te beschikken om te voldoen aan de formele voorwaarde in artikel 12(2)a(2o) Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UBOB). Voldoende is dat zij over het Britse btw-identificatienummer beschikt, dat ten tijde van de leveringen als geldig was opgenomen in het VIES. Artikel 214 Btw-richtlijn (over de verplichting voor lidstaten de identificatie van belastingplichtigen te faciliteren) maakt dat niet anders. Verder heeft de Inspecteur naar ’s Hofs oordeel niet bewezen dat belanghebbende wist of had moeten weten dat de levering van de telefoons aan haar afnemer uitmaakte van fraude door die afnemer en evenmin van fraude in latere schakels van de handelsketen. Voor het overige is niet in geschil dat belanghebbende aan de (materiële) voorwaarden voor toepassing van het nultarief heeft voldaan. A-G Ettema komt naar aanleiding van het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën tot de conclusie dat de voorwaarde voor toepassing van het nultarief in artikel 12(2)a(2o) UBOB niet inhoudt dat een ondernemer dient te beschikken over het btw-identificatienummer van de afnemer toegekend door de EU-lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van intracommunautair geleverde goederen. Dit geldt haars inziens zowel voor als na 1 januari 2020, wanneer de quick fixes van kracht zijn geworden. Uit de per 1 januari 2020 gewijzigde tekst van artikel 12(2)a(2o) UBOB (en artikel 138(1) Btw-richtlijn) volgt nog duidelijker dan uit de oude tekst dat een btw-identificatienummer van de afnemer toegekend door een andere lidstaat dan waar de verzending of het vervoer van goederen aanvangt, volstaat. Uit diverse toelichtingen volgt niets anders. In het licht van het bestaan van de zogenoemde nummerverwerving ligt deze uitleg bovendien voor de hand. Echter, zelfs als belanghebbende de formele voorwaarde van artikel 12(2)a(2o) UBOB niet zou hebben nageleefd, dan is dat gelet op onder meer het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Plöckl als zodanig geen reden haar de toepassing van het nultarief te weigeren. Het oordeel van het Hof dat de Inspecteur niet heeft bewezen dat belanghebbende wist of had moeten weten dat de levering van de telefoons aan haar afnemer uitmaakte van fraude door die afnemer en evenmin van fraude in latere schakels van de handelsketen, is volgens de A-G ten slotte voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk te achten.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 7 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:450
- Rb. Zeeland-West-Brabant 7 december 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:8393
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:217
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:742
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2012:547
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2012:592
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2014:2455
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2015:454
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:691
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:791
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:106
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:261
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:473