Conclusie A-G Niessen 17 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1350
A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over het woonplaatsbegrip voor natuurlijke personen in de zin van art. 4, lid 1 AWR. Om het geschil in het juiste perspectief te plaatsen wijdt A-G Niessen een bredere bespreking aan art. 4, lid 1 AWR. In de 19e-eeuwse voorgeschiedenis van het artikel werd al verwezen naar ‘de omstandigheden’. In de hoofdlijn van de rechtspraak onderkent de A-G twee deelvereisten, te weten een band van persoonlijke aard en duurzaamheid van die band. Na behandeling van deze vereisten komt de A-G tot een vuistregel: wie Nederland verlaat en niet een woning aanhoudt, woont niet meer hier, ook al heeft hij nog een band met Nederland. Iemand die tijdelijk vertrekt en niet of zelden feitelijk in Nederland ‘woont’, maar wel een woning aanhoudt, kan een woonplaats in Nederland behouden, maar daarbij worden dan de overige - ‘secundaire’ - omstandigheden (zoals sociale, juridische, economische en zuiver persoonlijke banden) relevant. Primair geldt volgens de A-G dat van een ‘woonplaats’ alleen sprake kan zijn wanneer de natuurlijk persoon een ‘woning’ beschikbaar heeft. Het onderhavige geschil betreft de vraag of de belanghebbende voor het jaar 2013 terecht in de IB is betrokken als binnenlands belastingplichtige. Het Hof heeft vastgesteld dat de belanghebbende in het belastingjaar 2013 in Nederland beschikte over een woning die zijn eigendom is en waar hij gedurende een deel van het jaar verbleef, terwijl zijn kind en diens moeder woonden in een ander pand dat zijn eigendom is. Verder is sprake van verscheidene andere banden met Nederland. Op deze gronden oordeelt het Hof dat belanghebbende in 2013 een woonplaats in Nederland had. Belanghebbende betoogt, onder verwijzing naar rechtspraak, dat voor het antwoord op de vraag of hij in 2013 in Nederland woont, maatgevend is of sedert 1997/1998 een dusdanig duurzame band is blijven bestaan met Nederland. De A-G kan belanghebbendes lezing van de rechtspraak niet volgen. Belanghebbende gaat in feite ervan uit dat de rechter in gevallen zoals deze een oordeel zou moeten geven over de kwalificatie van de feiten in voorafgaande jaren. Dat is in strijd met de taak van de rechter die immers louter heeft te oordelen over het geschil. De vraag waar iemand in een zeker jaar woont, wordt beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden in het jaar zelf, en kan van moment tot moment veranderen zonder dat het dan nog relevant is hoe de feiten van ‘een dag ervoor’ waren, aldus de A-G. De A-G concludeert tot ongegrond verklaring van het beroep in cassatie van belanghebbende. Ten overvloede merkt hij op dat het oordeel van het Hof aansluit bij de lijnen die blijkens zijn onderzoek in de rechtspraak en literatuur zijn getrokken.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 20 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:5008
- Rb. Zeeland-West-Brabant 26 oktober 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:6850
- Hof Amsterdam 9 januari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:12
- HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824
- HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO8461
- HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466
- HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1227
- HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6962
- HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD7581
- HR 7 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC6904
- Hof Arnhem 22 maart 1983, ECLI:NL:GHARN:1983:AX1855
- HR 14 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2558
- HR 13 maart 1974, ECLI:NL:HR:1974:AX4527
- HR 22 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AX4909
- Hof Amsterdam 25 november 1971, ECLI:NL:GHAMS:1971:AY4505
- HR 4 juni 1969, ECLI:NL:HR:1969:AX5867
- HR 17 februari 1965, ECLI:NL:HR:1965:AX7186