Conclusie A-G IJzerman 12 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1321

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of door het bij informatiebeschikking opvragen van de volledige administratie van belanghebbende het evenredigheidsbeginsel geschonden is. Het betreft het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1440. Op basis van de beantwoording van de vragen in de afgegeven informatiebeschikking wil de Inspecteur vaststellen of belanghebbende, een Antilliaanse N.V., gevestigd is in Nederland en daarom is aan te merken als binnenlands belastingplichtige, dan wel buitenlands belastingplichtig is voor haar werkzaamheden verricht in Nederland vanwege het hebben van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland. De Inspecteur heeft in 2015 een aantal derdenonderzoeken naar belanghebbende ingesteld. Uit verkregen bancaire gegevens is gebleken dat in 2007 tot en met 2014 betalingen aan belanghebbende hebben plaatsgevonden door in Nederland gevestigde ondernemingen en Nederlandse ingezetenen. De betalingen zagen op beheersdiensten, bestuursdiensten, vertegenwoordigingsdiensten en andersoortige (juridische) dienstverlening. Eerst per brief en daarna bij informatiebeschikking heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht haar volledige administratie over de desbetreffende jaren over te leggen, wegens mogelijke belastingplicht voor de Nederlandse vennootschapsbelasting. De Rechtbank heeft de informatiebeschikking vernietigd wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Naar het oordeel van de Rechtbank had de Inspecteur weliswaar aanleiding om vragen te stellen, maar is het in deze fase van het onderzoek onevenredig om de gehele administratie op te vragen. In hoger beroep heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigd. Naar het oordeel van het Hof is het informatieverzoek niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daartegen komt belanghebbende op in cassatie. De A-G merkt inleidend op dat zich onder omstandigheden situaties kunnen voordoen waarin het vragen van bepaalde informatie aan een belanghebbende disproportioneel is en als zodanig onbehoorlijk bestuur oplevert. Zo kan het evenredigheidsbeginsel met zich brengen dat niet van een belanghebbende mag worden gevergd dat deze over een ondergeschikt punt zeer veel informatie verschaft die voor hem moeilijk te vergaren is. Een en ander moet worden beoordeeld van geval tot geval. In casu lijkt het de A-G van bijzonder belang erop te attenderen dat nu belanghebbende zich heeft beroepen op schending van het evenredigheidsbeginsel, het aan belanghebbende is om ordelijk te motiveren waarom het onderhavige informatieverzoek disproportioneel zou zijn. Daarvan zal volgens de A-G niet snel sprake zijn. Een inspecteur heeft informatie van belanghebbenden nodig om zijn taak te kunnen uitoefenen. Het is aan de inspecteur de informatie op te vragen die hij nodig acht. Van een informatieplichtige mag naar de mening van de A-G tot op vrij grote hoogte worden gevergd dat deze zich inspant en zo nodig kosten maakt om te voldoen aan een informatieverzoek. Het is de A-G opgevallen dat partijen weliswaar in contact zijn geweest over het informatieverzoek, maar dat belanghebbende zich consequent op het standpunt heeft gesteld niets van haar administratie te willen overleggen. Dat lijkt de A-G niet juist. Het had zijns inziens op de weg van belanghebbende gelegen uit te leggen waarom zij bepaalde informatie niet wilde geven onder aanbieding van hetgeen zij wel wilde overleggen. De A-G vindt dat van een belanghebbende die zich beroept op schending van het evenredigheidsbeginsel mag worden verwacht dat die een actieve houding aanneemt om de vermeende schending weg te nemen. Algehele weigering past, naar de A-G meent, niet in dat kader. Het overleggen van de volledige administratie is naar het oordeel van het Hof niet onevenredig omdat belanghebbende op geen enkele wijze inzicht heeft verleend in de administratie, zodat van de Inspecteur in redelijkheid niet verwacht kan worden dat hij zijn verzoek zou dienen in te perken. Die benadering acht de A-G juist, omdat het op de weg van belanghebbende had gelegen uit te leggen waarom die bepaalde informatie niet en andere wel wilde overleggen. Zonder die medewerking kon de Inspecteur, naar de A-G meent, niets anders doen dan persisteren. Het evenredigheidsbeginsel is in artikel 3:4, lid 2, van de Awb aldus verwoord: De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Uit de parlementaire behandeling van het hiervoor geciteerde artikel volgt dat de rechter een besluit kan vernietigen indien het bestuursorgaan redelijkerwijs niet kon menen, dat er sprake was van evenredigheid tussen het doel en de gevolgen van het bestuursrechtelijk aangewende middel. De rechter zal, naar het de A-G voorkomt, dus een vrij grote marge van beoordelingsvrijheid moeten laten aan het bestuur, in casu aan de Inspecteur die zonder de gevraagde informatie zijn taak niet goed kan uitoefenen. De in dit kader te maken afwegingen zijn sterk feitelijk van aard. Voor een constatering van strijd met het evenredigheidsbeginsel is een zekere evidentie vereist. Die is er in casu volgens de A-G niet. De A-G acht de door het Hof gemaakte beoordelingen en afwegingen adequaat en voldoende gemotiveerd, zodat er in cassatie geen plaats is voor nadere, feitelijke toetsing. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken