Conclusie A-G IJzerman 12 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1320

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over het standpunt van belanghebbende dat hij in reactie op de afgegeven informatiebeschikking al voldoende informatie heeft verstrekt om de Inspecteur in staat te stellen zijn eventuele belastingplicht in Nederland te beoordelen. Het gaat om het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1439. Belanghebbende stond tot 1987 ingeschreven in Nederland. In de onderhavige jaren, 2009 tot en met 2012, stond belanghebbende ingeschreven in Curaçao. Belanghebbende beschikte in Curaçao over woon- en kantoorruimte. Belanghebbende huurde verder een woon- en kantoorruimte in België en bezat (middellijk) een woning in Frankrijk. Er waren echter ook aanknopingspunten met Nederland. Dat is voor de Inspecteur reden geweest om nader te onderzoeken of belanghebbende woonde in Nederland en dus was aan te merken als binnenlands belastingplichtige. De Inspecteur heeft belanghebbende verzocht in verband daarmee bepaalde informatie te verschaffen. De echtgenote van belanghebbende en hun dochter waren in de onderhavige jaren ingeschreven op het adres van een huurwoning in [Q]. Die huurwoning werd gehouden door een NV waarvan belanghebbende enig aandeelhouder en (mede)bestuurder was. Uit door de Inspecteur bij banken opgevraagde gegevens is gebleken van mogelijke banden met Nederland. Verder is gebleken dat belanghebbende beschikte over een VGZ Natura Polis, niet zijnde een buitenlandpolis, met aanvullende dekking. Ook had belanghebbende diverse medische behandelingen in Nederland ondergaan. Voorts is belanghebbende regelmatig van en naar Schiphol gevlogen en was belanghebbende lid van de ANWB. De echtgenote beschikte over een auto, op naam van een stichting waarvan belanghebbende bestuurder was. Voor deze auto was een tweede bewoners(parkeer)vergunning afgegeven. Belanghebbende heeft diverse keren gebruik gemaakt van diensten van een autogarage in Nederland. Nadat correspondentie niet had geleid tot voor de Inspecteur bevredigende reacties van belanghebbende, heeft de Inspecteur een informatiebeschikking afgegeven, met achttien afzonderlijke vragen. De Rechtbank heeft beoordeeld of die vragen vallen binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR en zo ja, of de vragen voldoende zijn beantwoord. Volgens de Rechtbank zijn bepaalde vragen gesteld in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Andere vragen die wel vallen binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR zijn voldoende of onvoldoende beantwoord. Het voorgaande heeft ertoe geleid dat de Rechtbank de informatiebeschikking heeft herzien in die zin dat bepaalde vragen gehandhaafd blijven, maar andere vervallen. Tegen de uitspraak van de Rechtbank is door beide partijen hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft op 12 april 2019 geoordeeld dat de Inspecteur bij de informatieverzoeken over voldoende aanwijzingen beschikte op grond waarvan hij in redelijkheid het standpunt kon innemen dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig zou kunnen zijn. Een schending van het evenredigheidsbeginsel heeft het Hof alleen voor bepaalde vragen vastgesteld. Op de door het Hof genoemde overige vragen dient belanghebbende nog te antwoorden. Dat heeft ertoe geleid dat het Hof de informatiebeschikking deels heeft vernietigd. Belanghebbende komt thans in cassatie op tegen het oordeel van het Hof. Volgens belanghebbende is het evenredigheidsbeginsel geschonden. De Inspecteur heeft reeds een grote hoeveelheid informatie van belanghebbende ontvangen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de door hem desgevraagd reeds gegeven informatie voor de Inspecteur voldoende moet zijn om zijn eventuele belastingplicht te beoordelen. Dat de Inspecteur aanspraak kan maken op meer informatie, als ingevolge de Hofuitspraak, acht belanghebbende een schending van het evenredigheidsbeginsel. In zoverre acht belanghebbende de Hofuitspraak onjuist. Het Hof heeft geoordeeld dat (a) de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende, (b) de gevraagde informatie grotendeels niet in strijd is met het evenredigheidbeginsel en (c) belanghebbende met betrekking tot een groot deel van deze vragen ten onrechte niet heeft voldaan aan het informatieverzoek. Het Hof heeft, naar de A-G meent, in afzonderlijke rechtsoverwegingen per vraag ordelijk gemotiveerd waarom het tot een bepaalde beoordeling is gekomen. Belanghebbende heeft in cassatie slechts in algemene termen gesteld dat er toch in meerdere mate sprake zou zijn van schending van het evenredigheidsbeginsel. De A-G acht de door het Hof gemaakte beoordelingen en afwegingen adequaat en voldoende gemotiveerd. Het slechts in algemene termen gestelde middel van belanghebbende kan daaraan niet afdoen, zodat het faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken