Conclusie A-G Ettema 3 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:375

Gemeenschappelijke bijlage heeft ECLI:NL:PHR:2018:393, bij de conclusies van 3 april 2018 inzake 17/00303, 17/02030, 17/02035, 17/02038. Belanghebbende heeft in 2011 op eigen naam en voor eigen rekening tien aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van bevestigingsmiddelen. De Inspecteur heeft ingevolge Verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China antidumpingrechten geheven. In deze zaak, alsmede in de zaken met nrs. 17/02030, 17/02035 en 17/02038 die gelijktijdig met de onderhavige conclusie zullen worden gepubliceerd, staat onder meer de vraag centraal (eerste cassatiemiddel) of Verordening nr. 91/2009 ongeldig is vanwege strijdigheid met respectievelijk Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende de beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap. Voorts is in geschil of Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 terugwerkende kracht heeft, zodat de door belanghebbende betaalde antidumpingrechten aan haar moeten worden terugbetaald (tweede en vijfde cassatiemiddel), of de term ‘blijken’ in artikel 78 van het CDW Communautair Douanewetboek (CDW), moet worden uitgelegd als ‘aannemelijk maken’ (derde cassatiemiddel) en of het Hof zijn oordeel mocht baseren op gegevens die geen deel uitmaken van het procesdossier (vierde cassatiemiddel). Het eerste, tweede en vijfde cassatiemiddel behandelt de A-G in de bij de onderhavige zaak, en de zaken met nrs. 17/02030, 17/02035 en 17/02038 behorende gemeenschappelijke bijlage. In deze bijlage komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan de orde: • de totstandkoming van Verordening nr. 91/2009 (hoofdstuk 2); • de geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van de WTO-antidumpingovereenkomst, zoals uitgelegd bij de aanbevelingen en uitspraken van het DSB (hoofdstuk 3); • de bevoegdheid van de nationale rechter (hoofdstuk 4); • de geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 3, lid 2 en artikel 4, lid 1, van de Basisverordening (hoofdstuk 5); • de geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 2, leden 10 en 11, van de Basisverordening (hoofdstuk 6 en 7); • de geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 9, lid 4, van de Basisverordening (hoofdstuk 8); • de terugwerkende kracht van Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 (hoofdstuk 9); en • de terugbetaling van antidumpingrechten (hoofdstuk 10). Het derde en vierde cassatiemiddel komen in de onderhavige conclusie aan bod. De A-G komt tot de slotsom dat het tweede tot en met het vijfde cassatiemiddel falen. Met betrekking tot het eerste cassatiemiddel geeft de A-G de Hoge Raad in overweging het HvJ een prejudiciële vraag te stellen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken