Conclusie A-G IJzerman 19 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1302

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juli 2018, nr. 17/01279, ECLI:NL:GHARL:2018:6095. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de gemeentelijke parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 63,50, bestaande uit € 2,60 nageheven parkeerbelasting en € 60,90 aan kosten. De onderhavige procedure ziet op de bepaling van het juiste bedrag aan nageheven parkeerbelasting. Belanghebbende heeft weliswaar, via de parkeerticketautomaat, een bedrag aan parkeerbelasting betaald voor een beperkte tijd, 24 minuten, maar ook daarna is de auto nog blijven staan op de parkeerplaats. Drie minuten later is door parkeercontroleurs geconstateerd dat de auto er nog stond en is de naheffingsaanslag opgelegd, met als nageheven parkeerbelasting € 2,60, berekend als: (i) het tarief voor een uur parkeren, (ii) zonder verrekening van de door belanghebbende betaalde parkeerbelasting ad € 1. Het staat vast dat de auto van belanghebbende ten tijde van de constatering van overschrijding van de parkeertijd waarvoor was betaald, korter dan een uur geparkeerd stond. Dat roept de vraag op of uit artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat niettemin mag worden nageheven over een forfaitaire parkeerduur van een uur, zoals de heffingsambtenaar heeft gedaan, dan wel beperkt tot de werkelijk geconstateerde overschrijding. Het Hof is gekomen tot het oordeel dat (i) bij naheffing over een periode korter dan een uur in principe, als vaststelling van de tijdsduur van de overschrijding feitelijk mogelijk is, moet worden uitgegaan van de geconstateerde werkelijke overschrijding van de parkeerduur en (ii) dat in de berekening van de nageheven parkeerbelasting reeds betaalde parkeerbelasting moet worden verrekend. In cassatie heeft het College gesteld dat artikel 20 AWR (verrekening van reeds betaalde belasting) slechts geldt voor tijdvakbelastingen, wat de parkeerbelasting niet zou zijn. Die opvatting lijkt de A-G echter niet juist. Zowel artikel 19 AWR als artikel 20 AWR gelden, naar het de A-G voorkomt, voor alle belastingen die op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, ongeacht of het tijdvak- of tijdstipbelastingen zijn. Artikel 234 van de Gemeentewet bevat volgens de A-G slechts een ten dele van de lex generalis in artikel 20 AWR afwijkende regeling. Die afwijking houdt onder meer een berekening van de naheffingsaanslag parkeerbelasting in over – in beginsel – een forfaitaire parkeerduur van één uur (derde lid). Afwijking naar boven van de forfaitaire parkeerduur is in de wettekst expliciet genoemd ingeval, ten tijde van constatering van overschrijding, aannemelijk is dat langer dan een uur zonder betaling is geparkeerd. De omgekeerde situatie, dat kenbaar korter dan een uur was geparkeerd, is niet uitdrukkelijk in de wettekst geregeld. In de schriftelijke toelichting van de regering is niettemin duidelijk aangegeven dat dan slechts over die kortere tijdsduur mag worden nageheven. In dat kader is van de kant van de regering te kennen gegeven: ‘Door aan te sluiten bij een parkeerduur van een uur wordt een minimumpositie ingenomen die, gezien de relatief bescheiden bedragen van de parkeertarieven, gerechtvaardigd voorkomt. Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat indien duidelijk is dat ten tijde van de constatering de periode waarover belasting verschuldigd is, minder dan een uur bedraagt, de naheffingsaanslag, afgezien van de daarin begrepen kosten, naar evenredigheid verlaagd dient te worden.’ Daartegenover heeft een kamerlid aangevoerd: ‘dat het veel werkbaarder is om in de naheffing gewoon de forfaitaire parkeerduur van een heel uur tot uitgangspunt te nemen en telkens als een uur is overschreden, opnieuw een extra uur in rekening te brengen’. Maar dat heeft de staatssecretaris niet tot andere gedachten gebracht: ‘Toepassing van een forfaitair tarief is gerechtvaardigd indien niet kan worden vastgesteld, hoe lang het voertuig zonder betaling geparkeerd was’. Dit laatste uitgangspunt is, naar het de A-G voorkomt, wetssystematisch vergelijkend, ook een belangrijke achtergrond van de beperking van forfaitaire heffingen in en ingevolge de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Bij strijd tussen een niet geheel duidelijke, want niet expliciete, wettekst met een duidelijke bedoeling van de wetgever tot beperking van forfaitaire heffing naar de realiteit voor zover mogelijk, gaat de voorkeur van de A-G uit naar een keuze voor de duidelijke bedoeling. Dat geldt wat hem betreft, in het licht van het legaliteitsbeginsel, met name als de bedoeling van de wetgever is ten faveure van de belastingplichtigen. Op een en ander stuiten de cassatieklachten van het College af. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken