Conclusie A-G Ettema 31 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:121
In deze conclusie staat de vraag centraal of twee handelingen voor toepassing van de omzetbelasting als één enkele samengestelde prestatie moeten worden beschouwd of als twee zelfstandige prestaties. Het fiscale belang van deze vraag houdt in deze zaak verband met de omstandigheid dat de handelingen aan verschillende omzetbelastingtarieven zijn onderworpen (het verlenen van toegang tot een park aan het verlaagde tarief en het gelegenheid geven tot parkeren aan het algemene tarief). Nationale feitenrechters hebben in ogenschijnlijk gelijke gevallen – het geven van gelegenheid tot parkeren bij voorzieningen als bedoeld in post b.14 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende tabel I – tegengestelde uitspraken gedaan. De vraag rijst of het verschil in uitkomst bij deze ‘parkeerzaken’ is toe te schrijven aan een uiteenlopende toepassing door de feitenrechters van de (toch niet zo heldere) Hof van Justitie-criteria op een concrete casus dan wel aan een onderscheidend verschil in feiten tussen de genoemde zaken. Belanghebbende exploiteert [A]. De inkomsten van belanghebbende bestaan grotendeels uit entreegelden. Daarnaast ontvangt belanghebbende gelden voor het geven van gelegenheid tot parkeren op het naast het park gelegen parkeerterrein (€ 2 per auto). Bezoekers kunnen ook kiezen de auto het park mee in te nemen. In dat geval brengt belanghebbende een bedrag van € 6 per auto in rekening. Rechtbank Gelderland oordeelt dat het gelegenheid geven tot parkeren een bijkomende dienst is bij de hoofddienst, het verlenen van toegang tot het park. Zij acht redengevend dat de bezoeker van het park geen afzonderlijk doel heeft bij het parkeren bij de toegangspoorten van het park. Het parkeren stelt de bezoeker slechts in staat het optimale genot van het park te verkrijgen. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt daarentegen dat het gelegenheid geven tot parkeren een zelfstandige prestatie is die is onderworpen aan het algemene omzetbelastingtarief. De gelegenheid tot parkeren is voor de modale bezoeker van het park een doel op zich, aldus het Hof. De bezoeker van het park kiest ervoor de auto mee te nemen en deze bij de ingang van het park te parkeren. De tijdelijke bestemming van de auto is voor deze bezoeker een behoefte op zich. Over belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel oordeelt het Hof dat dit beroep faalt. De diensten van belanghebbende en het door exploitanten van kamp-, hotel-, pension, en vakantiebestedingsbedrijven geven van gelegenheid tot ‘het plaatsen van een auto’ als bedoeld in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 27 oktober 2011 (Toelichting tabel I) zijn naar het oordeel van het Hof geen gelijke gevallen. Belanghebbende komt met haar eerste cassatiemiddel op tegen het oordeel van het Hof dat de gelegenheid tot parkeren voor de modale bezoeker van [A]een doel op zich is en derhalve geen bijkomende dienst bij het verlenen van toegang tot het park. Volgens belanghebbende zal niemand overwegen deze dienst van belanghebbende te gebruiken zonder het park te bezoeken. Het oordeel van het Hof is onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk, aldus belanghebbende. Met het tweede cassatiemiddel bestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Ook meent belanghebbende dat zij in aanmerking komt voor een integrale proceskostenvergoeding. Gelet op de kaders die het HvJ in zijn rechtspraak heeft uiteengezet, geeft ’s Hofs oordeel dat het gelegenheid geven tot parkeren een doel op zich is volgens de A-G geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Het eerste cassatiemiddel faalt dus. Voorts meent de A-G dat het hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd tegen ’s Hofs verwerping van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel geen doel treft. Het tweede cassatiemiddel slaagt dus evenmin. Belanghebbendes verzoek om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding dient naar haar mening te worden afgewezen. De A-G concludeert tot ongegrondverklaring van belanghebbendes cassatieberoep.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 9 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:165
- Hof Den Haag 19 december 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:4019
- Rb. Zeeland-West-Brabant 28 juni 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:3876
- Rb. Den Haag 24 mei 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6302
- Rb. Gelderland 21 maart 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1561
- HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:185
- Conclusie A-G Ettema 30 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1242
- Hof Arnhem-Leeuwarden 13 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7628
- HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833
- Rb. Gelderland 27 augustus 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5775
- HR 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:145
- HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9444
- HR 10 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2197
- Conclusie A-G VAN HILTEN 10 augustus 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BT2197
- HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4043
- HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929
- HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810
- Hof 's-Hertogenbosch 17 september 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR8580
- HR 13 oktober 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9073
- HR 13 oktober 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9074