Conclusie A-G Ettema 19 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1180

Belanghebbende, een groothandelaar in accijnsgoederen (minerale oliën), heeft een vergunning opslag in een accijnsgoederenplaats. Op grond van artikel 56, lid 1, Wet op de accijns dient een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats zekerheid te stellen voor de accijns die hij verschuldigd is of kan worden in Nederland dan wel in een andere lidstaat. Ook belanghebbende heeft zekerheid gesteld. In 2015 heeft de inspecteur geconcludeerd dat het bedrag van de gestelde zekerheid moet worden verhoogd naar € 1.715.000. Hij heeft de door belanghebbende te stellen zekerheid bij een ‘beschikking wijziging zekerheid’ op dat bedrag vastgesteld. De minerale oliën waar het in deze zaak om gaat, gaan direct van de leveranciers van belanghebbende (in Nederland gevestigde oliemaatschappijen en oliehandelaren) naar de afnemers van belanghebbende (andere handelaren in minerale oliën en tankstations in Nederland) zonder dat de goederen fysiek door belanghebbendes accijnsgoederenplaats gaan. Voor de toepassing van de accijnsheffing maakt belanghebbende gebruik van de faciliteit van de rechtstreekse aflevering als bedoeld in artikel 2a, lid 5, Wet op de Accijns en artikel 4 Uitvoeringsbesluit accijns. In deze zaak staat de vraag centraal of en in hoeverre richtlijn 2008/118/EG, de Accijnsrichtlijn, toestaat dat van belanghebbende een doorlopende zekerheid wordt gevraagd met betrekking tot de rechtstreeks afgeleverde minerale oliën. De rechtbank Den Haag heeft het tegen de beschikking ingestelde beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft sprongcassatie ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag. Zij stelt één cassatiemiddel voor dat bestaat uit vijf onderdelen. Zij betoogt dat de Nederlandse wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 56 en 57 Wet op de accijns en artikel 22 Uitvoeringsregeling accijns, in strijd is met de Accijnsrichtlijn omdat: • zekerheid wordt geëist voor meer respectievelijk andere activiteiten dan de vier activiteiten waarvoor de Accijnsrichtlijn het verlangen van zekerheid toelaat (onderdeel 1 van het middel); • zekerheidstelling wordt gekoppeld aan een algemeen accijnsbelang en daarbij wordt uitgegaan van een incassorisico, terwijl op grond van de Accijnsrichtlijn de te stellen zekerheid moet corresponderen met de risico’s die zijn verbonden aan de vier activiteiten (onderdeel 2 van het middel); • zekerheid wordt geëist van meer partijen dan op grond van de Accijnsrichtlijn is toegelaten (onderdeel 3 van het middel); • zekerheidstelling wordt verplicht gesteld, terwijl artikel 16 Accijnsrichtlijn een facultatieve zekerheid voorschrijft (onderdeel 4 van het middel); en • de maximering van de zekerheidstelling op € 9 miljoen is in strijd met de algemene beginselen van Unierecht, waaronder het gelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel (onderdeel 5 van het middel). Niet in geschil is dat in de accijnsgoederenplaats van belanghebbende geen sprake is van productie of verwerking van accijnsgoederen. Dit brengt volgens de A-G mee dat in dit geval van belanghebbende slechts zekerheid kan worden gevraagd indien sprake is van: (a) voorhanden hebben van accijnsgoederen als bedoeld in artikel 16, lid 2, onder a, Accijnsrichtlijn, of (b) overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns als bedoeld in artikel 18, leden 1 en 2, Accijnsrichtlijn. Nu vaststaat dat de onderhavige minerale oliën direct van de leveranciers van belanghebbende naar de afnemers van belanghebbende gaan zonder dat belanghebbende die minerale oliën fysiek opslaat in haar accijnsgoederenplaats, kan volgens de A-G van voorhanden hebben in een belastingentrepot als bedoeld in artikel 15, lid 2, Accijnsrichtlijn geen sprake zijn. Dit brengt mee dat het bepaalde in artikel 16, lid 2, onder a, Accijnsrichtlijn op het onderhavige geval niet van toepassing is. Anders dan belanghebbende betoogt, is de rechtstreekse aflevering volgens de A-G een activiteit waarvoor artikel 18, lid 1, Accijnsrichtlijn een verplichte zekerheidstelling voorschrijft. Onderdeel 1 van het middel faalt dus. Volgens de A-G voert belanghebbende wel terecht aan dat artikel 18, lid 1, Accijnsrichtlijn uitsluitend een verplichte zekerheidstelling in het leven roept voor de entrepothouder van verzending of de geregistreerde afzender. Uit de stukken van het geding leidt de A-G af dat belanghebbende noch de entrepothouder van verzending noch de geregistreerde afzender is. Niet belanghebbende maar haar leverancier is de in artikel 18, lid 1, Accijnsrichtlijn bedoelde persoon. De zekerheidstelling die in het geding is kan dus niet worden gebaseerd op artikel 18, lid 1, Accijnsrichtlijn. Een uitleg dat artikel 56, lid 1, Wet op de accijns een verplichte zekerheidstelling in het leven roept voor de geadresseerde houder van een accijnsgoederenplaats acht de A-G in strijd met de bewoordingen van artikel 18, lid 2, Accijnsrichtlijn. Onderdeel 3 van het middel slaagt dus. Hoewel de overige middelen volgens de A-G geen behandeling meer behoeven, concludeert de A-G nog dat onderdeel 2 van het middel doel mist omdat mede gelet op de ruimte die artikel 18, lid 3, Accijnsrichtlijn de lidstaten biedt om de voorwaarden vast te stellen, de regeling zoals opgenomen artikel 22 Uitvoeringsregeling Accijns in zoverre door de Unierechtelijke beugel kan. Onderdeel 4 van het middel faalt omdat voor de in het geding zijnde rechtstreekse afleveringen geldt dat sprake is van het ‘overbrengen onder schorsing van accijns‘ in de zin van artikel 18 van de Accijnsrichtlijn. Lid 1 van die bepaling schrijft een verplichte zekerheid voor die door de erkende entrepothouder van verzending of de geregistreerde afzender wordt gesteld. Met betrekking tot onderdeel 5 van het middel concludeert de A-G dat niet-gespecifieerde doelmatigheidsoverwegingen en een veronderstelling van de Staatssecretaris in haar optiek ontoereikend zijn om te oordelen dat een rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling van de haars inziens gelijke gevallen. De A-G komt tot de slotsom dat de onderdelen 3 en 5 van het middel slagen en geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep van belanghebbende gegrond te verklaren en de beschikking doorlopende zekerheid te vernietigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken