Conclusie A-G IJzerman 22 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:104

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 juni 2017, nr. 16/00825. Belanghebbende is betrokken geweest bij een ongeval en heeft in verband hiermee van een verzekeringsmaatschappij een schadevergoeding verkregen. Hij heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting een aftrekpost specifieke zorgkosten opgenomen, waarin begrepen zijn zorgkosten die bestaan uit extra vervoerskosten wegens invaliditeit. Op 21 februari 2005 hebben belanghebbende en de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten over de aftrek van extra vervoerskosten wegens invaliditeit. Daarin is met name bepaald dat in de aanslagen vanaf 2003 de aftrek voor kosten eigen vervoer zal worden berekend op de bij de Belastingdienst gebruikelijke wijze: dat is door van de werkelijk door belanghebbende gemaakte kosten af te trekken de kosten die een groep van qua inkomen, vermogenspositie en gezinssamenstelling vergelijkbare gezonde (niet gehandicapte) belastingplichtigen maakt, berekend op basis van door het CBS vastgestelde kosteninformatie. In zijn uitspraak op bezwaar van 9 april 2010 inzake de aanslag IB/PVV 2005 heeft de Inspecteur meegedeeld dat hem bekend is geworden dat een gedeelte van de door belanghebbende van de verzekeringsmaatschappij ontvangen schadevergoeding specifiek is verleend voor geleden en te lijden materiële schade, en dat door hem daarom alsnog het standpunt is ingenomen dat voor de nog vast te stellen aanslagen de autokosten konden worden bestreden uit de ontvangen schadevergoeding. Hierdoor is er naar zijn mening geen sprake van drukkende uitgaven, zodat volgens de Inspecteur om die reden niet kan worden toegekomen aan aftrek daarvan als zorgkosten. Laatstelijk tijdens een hoorgesprek op 20 oktober 2010 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de vaststellingsovereenkomst opgezegd per 1 januari 2011. De aanslag over 2011 is opgelegd zonder de aangegeven persoonsgebonden aftrek ten bedrage van € 5.009 in aanmerking te nemen. Het Hof heeft bij uitspraak van 27 juni 2017 belanghebbendes hoger beroep ongegrond verklaard. Het Hof heeft vooropgesteld dat vaststaat dat de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2010 met dagtekening 9 april 2010 belanghebbende heeft meegedeeld dat de belastingdienst zich niet langer wenste te conformeren aan de in 2005 gesloten vaststellingsovereenkomst en dat verder vast staat dat tijdens het op 20 oktober 2010 gehouden hoorgesprek belanghebbende is geïnformeerd dat deze vaststellingsovereenkomst met ingang van het jaar 2011 zou worden opgezegd. Het Hof heeft daarop overwogen dat de opzegging van de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is gebeurd en dat behoudens bijzondere omstandigheden waarvan in het onderhavige geval niet is gebleken, het de Inspecteur in beginsel vrij staat van een zonder tijdsbepaling gedane toezegging als de onderhavige terug te komen. Voorts heeft het Hof overwogen dat belanghebbende ruim van tevoren is geïnformeerd over de aankomende opzegging van de vaststellingsovereenkomst, zodat hem, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, een redelijke termijn is gegund om zich hierop in te stellen en van een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur daarom geen sprake is. Nu volgens het Hof de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd, behoefde belanghebbendes verzoek om schadevergoeding, dat is gebaseerd op de veronderstelling dat hiervan geen sprake zou zijn, geen behandeling meer. Vervolgens heeft het Hof ten aanzien van de aftrek wegens specifieke zorgkosten inhoudelijk geoordeeld dat zelfs indien de vaststellingsovereenkomst van toepassing zou zijn, dat niet tot de gewenste aftrek zou kunnen leiden, nu de geclaimde extra vervoerskosten ten bedrage van € 5.469 niet hoger zijn dan die van met belanghebbende vergelijkbare belastingplichtigen zonder ziekte, zodat er daarom geen aftrekbaar bedrag resteert. De overige zorgkosten komen niet boven het drempelbedrag van € 1.091 uit, zodat die ook niet aftrekbaar zijn. Belanghebbende komt thans in cassatie, onder aanvoering van een aantal klachten, op tegen bepaalde oordelen van het Hof. De A-G merkt op dat belanghebbende in de vaststellingsovereenkomst heeft aanvaard dat de aftrek voor kosten eigen vervoer zal worden berekend op de bij de belastingdienst gebruikelijke wijze. Aldus ziet het er naar uit dat belanghebbende door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niets meer of anders heeft verkregen dan hetgeen hem reeds toekomt op grond van de wet en het ter zake bestaande uitvoeringsbeleid van de belastingdienst. Ook al kan volgens de A-G het praktische effect van de vaststellingsovereenkomst zijn geweest dat aan belanghebbende gedurende een aantal eerdere jaren een te ruime aftrek van extra vervoerskosten is toegestaan. Het Hof is, in cassatie onbestreden, ten aanzien van de door belanghebbende verlangde aftrek van specifieke zorgkosten gekomen tot de conclusie dat zelfs als de vaststellingsovereenkomst zou zijn blijven gelden, dan nog niet kan worden toegekomen aan enige aftrek van bijzondere zorgkosten voor het jaar 2011, omdat de door belanghebbende gemaakte kosten daartoe niet hoog genoeg zijn. Reeds daarom kunnen de klachten van belanghebbende, als gericht tegen de opzegging van de vaststellingsovereenkomst en het ontbreken van schadevergoeding, volgens de A-G niet leiden tot cassatie. De onderhavige opzegging acht de A-G aanvaardbaar in het licht van de ter zake gewezen jurisprudentie en de omstandigheden in casu. Voorts meent de A-G dat er wegens ongegrond bevinding van het beroep, geen reden is voor enige schadevergoeding op grond van het in casu toepasselijke artikel 8:73 van de Awb. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken