Conclusie A-G Wattel 31 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:908

Beschikking en bekendmaking Invorderingsrente; art. 1, 6 en 30 Inv. en artt. 1:3 en 4:86 Awb; Als invorderingsrente afgeboekte betalingen waaraan geen (kenbare) (voor bezwaar vatbare) beschikking ten grondslag ligt; waarin bestaat een beschikking invorderingsrente? Is een afboeking in een computersysteem een ‘schriftelijk besluit van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling’? Zo neen, wat dan? burgerlijke of belastingrechter? Feiten: Aan de belanghebbende is in 2005 een navorderingsaanslag IB/PH 2002 opgelegd. Hij heeft in april 2012 deels betaald. De ontvanger heeft die betaling in de eerste plaats afgeboekt op de verschenen invorderingsrente en de rest op de belastingschuld; hij heeft de belanghebbende een acceptgirokaart gestuurd met een ongespecificeerd nog openstaand bedrag en zonder rechtsmiddelverwijzing. Tussen de belanghebbende en de ontvanger is een onoverzichtelijke correspondentie ontstaan over nog openstaande bedragen en in rekening gebrachte invorderingsrente. Na die eerste betaling heeft de belanghebbende nog diverse acceptgiro´s ontvangen en betaald. Geschil: heeft de ontvanger een beschikking ex art. 30(1) Invorderingswet 1990 (Inv.) genomen waartegen bezwaar en beroep open staat? Zo ja, is het afgeboekte rentebedrag verschuldigd? Zo neen, is dan de burgerlijke rechter bevoegd? De Rechtbank Noord-Nederland heeft een brief van de ontvanger van 6 juli 2012 aangemerkt als voor bezwaar vatbare beschikking en de belanghebbende in zijn beroep ontvangen. Die brief vermeldt welk deel van de betaling als invorderingsrente is geboekt. De Rechtbank heeft inhoudelijk geoordeeld dat terecht invorderingsrente in rekening is gebracht, zij het € 14 teveel. Hof Arnhem-Leeuwarden constateerde dat geen van beide partijen de brief van 6 juli 2012 als voor bezwaar vatbare beschikking opvat; hij heeft dat zijns inziens juridisch niet onjuiste standpunt gevolgd. Nu de ontvanger ook niet op andere wijze het rentebedrag schriftelijk aan de belanghebbende heeft meegedeeld, is er volgens het Hof geen voor bezwaar vatbare beschikking waartegen de belanghebbende kon opkomen. Hij heeft de belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep. Cassatiemiddel De belanghebbende meent dat het Hof art. 8:71 Awb (verwijzing naar de burgerlijke rechter) had moeten toepassen en acht het rechtens onaanvaardbaar dat de ontvanger door onrechtmatig handelen de wettelijke status van een beschikking kan bepalen en de burger zijn rechtsbescherming kan ontnemen; hij meent dat de ontvanger (ook) de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Daarnaast voert hij middelen aan over de mandatering en de vergoeding wegens immateriële schade. A-G Wattel meent dat zo de verschuldigdheid van invorderingsrente al rechtsreeks uit de wet voortvloeit, zij niet invorderbaar (afdwingbaar) is zonder vaststelling (formalisering) bij wettelijk vereiste beschikking. Een beschikking is een schriftelijk besluit (art. 1:3 Awb). Zonder schriftelijke belichaming – bijvoorbeeld als alleen een digitale mutatie in een rekening-courant plaatsvindt – is er geen beschikking, aldus ABRvS 2007/211. Als er in casu inderdaad - zoals het Hof meent - geen beschikking is, dan is er dus geen titel voor invordering en gaat het hoogstens om een niet-afdwingbare natuurlijke verbintenis waarvan de belanghebbende de (gedwongen) betaling kan terugvorderen op grond van HR BNB 191/339 en HR NJ 1984, 726 (Delta Lloyd/Ontvanger). De A-G ziet twee mogelijkheden: (i) het Hof heeft terecht geoordeeld dat er geen beschikking is omdat er geen schriftelijke beslissing is; dan is geen invorderingsrente door de ontvanger vastgesteld en is er geen titel voor invordering. Het Hof had dan belanghebbendes beroep niet slechts niet-ontvankelijk moeten verklaren, maar ook ofwel moeten verwijzen naar de burgerlijke restrechter voor een actie uit onverschuldigde betaling (art. 8:71 Awb), ofwel de ontvanger in de gelegenheid moeten stellen alsnog een geldige titel voor invordering te scheppen en daarvan aan de belanghebbende kennis te geven en het hogere beroep vervolgens op basis daarvan inhoudelijk moeten afdoen, aangenomen dat zulks na diens bestuurlijke nalatigheid nog mogelijk was in het licht van de door de belanghebbende ingeroepen beginselen van behoorlijk bestuur, hetgeen het Hof dan had moeten onderzoeken; (ii) Het Hof had zowel de brief van de ontvanger van 6 juli 2012 als diens brief van 14 augustus 2013, die beide invorderingsrentebedragen specificeren, als kennisgevingen ex art. 30(1) Inv. van beschikkingen, althans van vastgestelde invorderingsrentebedragen moeten aanmerken, en had belanghebbendes bezwaren daartegen inhoudelijk moeten behandelen. In beide gevallen moet ’s Hofs uitspraak vernietigd worden. De AG geeft de Hoge Raad in overweging te kiezen voor optie (ii), nu beide brieven volgens de jurisprudentie (desnoods) kunnen worden beschouwd als bekendmaking van een voor bezwaar vatbare beschikking. Gezien de nalatigheid en onjuiste mededelingen van de ontvanger, kan de belanghebbende niet verweten worden, dat hem dat niet meteen duidelijk was. Conclusie: Cassatieberoep gegrond; terugwijzen naar hetzelfde Hof voor inhoudelijke behandeling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken