Conclusie A-G Ettema 25 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:373

De Inspecteur heeft belanghebbende schriftelijk medegedeeld dat zijn btw-identificatienummer (hierna: btw-nummer) wordt ingetrokken. Belanghebbende meent dat hij recht heeft op aftrek van omzetbelasting en stelt dat recht ter discussie door beroep aan te tekenen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant tegen die intrekking. De Rechtbank oordeelt dat de beslissing van de Inspecteur het btw-nummer van belanghebbende in te trekken weliswaar “een ingevolge de belastingwet genomen besluit” is, maar geen voor bezwaar of beroep vatbare beslissing. De Rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende kennelijk niet-ontvankelijk en wijst belanghebbende op de mogelijkheid zich te wenden tot de burgerlijke rechter. Het tegen die uitspraak gedane verzet verklaart de Rechtbank ongegrond. Met het eerste cassatiemiddel betoogt belanghebbende dat het intrekken van een btw-nummer hetzelfde is als de weigering aftrek van voorbelasting te verlenen op de grond dat het voor belanghebbende na intrekking van het btw-nummer niet meer mogelijk is via de aangifte btw-teruggaaf te verkrijgen. Die onmogelijkheid brengt volgens belanghebbende mee dat wel degelijk een voor bezwaar vatbare beslissing is afgegeven. De identificatie van belastingplichtigen (hierna: de Identificatie) is geregeld in artikel 214 van de Btw-richtlijn. In Nidera Handelscompagnie heeft het HvJ geoordeeld dat de Identificatie geen handeling is die het recht op aftrek van omzetbelasting doet ontstaan. Belanghebbendes eerste cassatiemiddel berust volgens A-G Ettema dan ook op een onjuiste rechtsopvatting en faalt derhalve. Het tweede cassatiemiddel ziet eveneens op het oordeel van de Rechtbank dat de intrekking geen voor bezwaar vatbare beslissing is. Belanghebbende meent dat dit oordeel in strijd is met de Btw-richtlijn. In zijn optiek vloeit uit artikel 214, lid 1, van de Btw-richtlijn namelijk voor de lidstaten de verplichting voort een met waarborgen omklede procedure in hun nationale rechtsorde te implementeren die particulieren de mogelijkheid biedt op te komen tegen de weigering of de intrekking van een btw-nummer. Volgens de A-G volgt uit de letterlijke bewoordingen van artikel 214, lid 1, van de Btw-richtlijn alsmede uit de jurisprudentie van het HvJ over deze bepaling niet dat die richtlijnbepaling voorziet in de door belanghebbende bedoelde verplichting. Een beroep daarop kan belanghebbende derhalve niet baten. Ook het tweede cassatiemiddel faalt derhalve. Ambtshalve wijst de A-G erop dat, nu de intrekking van een btw-nummer een ingevolge de belastingwet genomen besluit is dat noch een belastingaanslag, noch een voor bezwaar vatbare beschikking is of als zodanig wordt beschouwd, de Rechtbank als bestuursrechter onbevoegd is van het beroep kennis te nemen en belanghebbende uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan instellen (actie uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek). De bestuursrechter heeft dit laatste in vereenvoudigde behandeling onderkend en belanghebbende op de onjuiste forumkeuze gewezen. Gelet op de absolute onbevoegdheid had de Rechtbank echter geen uitspraak na een vereenvoudigde behandeling mogen doen, maar de normale procedure moeten doorlopen (met een onderzoek ter zitting) en vervolgens een uitspraak moeten doen die strekt tot onbevoegdverklaring (artikel 8:70, onderdeel a, Awb). Dit brengt met zich dat zij het verzet tegen de ‘VB-uitspraak’ gegrond had moeten verklaren, nu de Rechtbank het beroep bij VB-uitspraak ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. De A-G komt dan ook tot de slotsom dat het onderhavige cassatieberoep, dat is gericht tegen de uitspraak op verzet, hoewel de cassatiemiddelen falen, gegrond is. Mocht belanghebbende ter zake van het onderhavige geschil een civiele vordering instellen, dan dient de burgerlijke rechter te onderzoeken of de Inspecteur een geldige reden had om het btw-nummer van belanghebbende in te trekken. Een geldige reden kan zijn dat belanghebbende niet de hoedanigheid van belastingplichtige heeft. Uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat de Belastingdienst van een belanghebbende mag verlangen dat hij aan de hand van objectieve gegevens aantoont dat hij economische activiteiten verricht die aanleiding geven tot belastbare handelingen dan wel dat hij voornemens is dergelijke activiteiten te verrichten. Wellicht heeft de Inspecteur om dergelijke gegevens verzocht en is belanghebbende niet in staat geweest om de gevraagde gegevens te verstrekken. Alsdan heeft de Inspecteur het onderhavige btw-nummer terecht ingetrokken. Indien de Inspecteur het btw-nummer heeft ingetrokken omdat hij zich op het standpunt stelt dat sprake is van fraude, zal hij aan de hand van objectieve gegevens moeten kunnen aantonen dat ernstige aanwijzingen bestaan die het vermoeden doen rijzen dat het toegekende btw-nummer zal worden gebruikt voor fraude. Indien hij niet in die bewijslast slaagt, heeft de Inspecteur het btw-nummer ten onrechte ingetrokken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken