Conclusie A-G Aben 4 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:370

Uitlevering. Vervolgingsuitlevering aan Turkije. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2017:463, m.b.t. de bevoegdheidsverdeling tussen de rechter en de Minister t.a.v. een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten in art. 6 EVRM. De Rb. heeft de uit het systeem van de Uitleveringswet voortvloeiende bevoegdheidstoedeling miskend. Terechte klachten hierover leiden niet tot cassatie omdat de Rb. het verweer dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM en dat hem na zijn uitlevering t.z.v. die inbreuk niet een rechtsmiddel a.b.i art. 13 EVRM ten dienste staat, slechts had kunnen verwerpen. Niet blijkt dat voldoende onderbouwd is aangevoerd dat hem niet een dergelijk rechtsmiddel ten dienste staat. HR merkt nog op dat de uitleveringsrechter de bevoegdheid heeft om de Minister te adviseren omtrent de vraag of de uitlevering ook daadwerkelijk zou moeten worden toegestaan. CAG gaat in op het beroep dat Turkije heeft gedaan op de in art. 15 EVRM gegeven mogelijkheid tot derogatie van de uit het EVRM voortkomende verplichtingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken