Conclusie A-G Spronken 14 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:363
Cassatie OM en verdachte. 1. Medeplegen van gewoontewitwassen, art. 420ter Sr en art. 420bis.1.b Sr; kwalificatieklacht. 2. Verbeurdverklaring van ex art. 94a Sv inbeslaggenomen geldbedragen? Ad 1. Het beroep op de rechtspraak over de kwalificeerbaarheid als witwassen van het 'verwerven of voorhanden hebben' van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2016:2842) slaagt niet. De bewezenverklaring houdt ook in dat verdachte de geldbedragen heeft "overgedragen" en heeft "omgezet" a.b.i. art. 420bis lid 1 onder b Sr. In aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het "verwerven" en "voorhanden hebben" van de geldbedragen, zou de mogelijke gegrondheid van het middel van verdachte niet tot cassatie behoeven te leiden wegens het ontbreken van voldoende belang van verdachte daarbij (vgl. ECLI:NL: HR:2015:3043). Ad 2. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2015:3689: voor verbeurdverklaring a.b.i. art. 33a Sr is niet nodig dat ex art. 94 Sv beslag is gelegd op het voorwerp waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Een conservatoir beslag ex art. 94a Sv staat niet eraan in de weg dat een voorwerp wordt verbeurdverklaard. ’s Hofs oordeel dat de gelden waarop conservatoir beslag rust niet kunnen worden verbeurdverklaard is onjuist. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 15/03265 en 15/03460.
De uitspraak op rechtspraak.nl