Conclusie A-G Ettema 1 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:27
In deze zaak gaat het om de heffing van kolenbelasting ter zake van de invoer in Nederland van kolen uit Rusland die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit. In beginsel is deze invoer op grond van artikel 14, lid 1, onder a, eerste volzin, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003, PB L 283, blz. 51-70 (hierna: de Richtlijn) vrijgesteld van belasting. Uit milieubeleidsoverwegingen is het de lidstaten evenwel op grond van de tweede volzin van genoemd artikelonderdeel toegestaan (toch) belasting te heffen. Nederland heeft met ingang van 1 januari 2013 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en de vrijstelling voor kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit afgeschaft. Tot 1 januari 2013 was de vrijstelling opgenomen in artikel 44, lid 2, van de Wet belastingen op milieugrondslag. Zowel rechtbank Den Haag als hof Den Haag oordelen, voor zover in cassatie van belang, dat het afschaffen van de vrijstelling voor kolen die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit niet in strijd is met artikel 14, lid 1, onder a, van de Richtlijn. De Rechtbank en het Hof toetsen met name of milieubeleidsoverwegingen aanwezig zijn en achten niet van belang of die milieubeleidsoverwegingen ook daadwerkelijk effect hebben op het milieu. Voorts is naar het oordeel van de Rechtbank en het Hof geen sprake van ongeoorloofde discriminatie als bedoeld in artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en in artikel 11 van de Overeenkomst. In haar eerste cassatiemiddel betoogt belanghebbende dat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de heffing van kolenbelasting ter zake van kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit, plaatsvindt uit milieubeleidsoverwegingen en of het Nederland dus is toegestaan deze belasting te heffen. In haar tweede cassatiemiddel bestrijdt belanghebbende ’s Hofs oordeel dat kolen en aardgas geen gelijksoortige producten zijn in de zin van artikel 11 van de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds (hierna: de Overeenkomst) en artikel 110 VWEU. A-G Ettema komt tot de slotsom dat noch uit (de tekst van artikel 14, lid 1, onder a, van) de Richtlijn, noch uit de rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ) eenduidig kan worden afgeleid in hoeverre milieubeleidsoverwegingen daadwerkelijk een rol moeten spelen bij de heffing van belasting ter zake van kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit. Zij stelt dan ook voor hierover prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ. Voorts meent zij dat kolen en aardgas geen gelijksoortige producten zijn als bedoeld in artikel 11 van de Overeenkomst en artikel 110 VWEU. Tot slot biedt artikel 11 van de Overeenkomst in haar visie evenmin bescherming tegen een heffing over een buitenlands product dat weliswaar niet gelijksoortig is aan een binnenlands product, maar welke wel met elkaar concurreren. Het verschil in fiscale behandeling van beide energieproducten is alsdan gerechtvaardigd. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging het geding te schorsen en op de voet van artikel 267 VWEU het HvJ te verzoeken om een prejudiciële beslissing inzake de volgende vragen: 1. Zijn de overwegingen zoals in het hoofdgeding aan de orde toereikend om als milieubeleidsoverwegingen in de zin van artikel 14, lid 1, onder a, tweede volzin, van richtlijn 2003/96/EG, te worden beschouwd bij het aan belasting onderwerpen van energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit? Gelden voor de beoordeling of sprake is van milieubeleidsoverwegingen dezelfde criteria als die het Hof van Justitie heeft gegeven inzake artikel 3, lid 2, van richtlijn 92/12/EEG, betreffende indirecte belastingen met specifieke doeleinden? 2. Moeten met de gebruikmaking van de heffingsmogelijkheid van artikel 14, lid 1, onder a, tweede volzin, van richtlijn 2003/96/EG, daadwerkelijk milieueffecten worden bereikt, of is het voldoende dat milieubeleidsoverwegingen (mede) aan de heffing ten grondslag liggen? 3. Dient een lidstaat, wanneer deze gebruikmaakt van de in artikel 14, lid 1, onder a, tweede volzin, van richtlijn 2003/96/EG opgenomen heffingsmogelijkheid, alle energieproducten die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit aan belastingheffing te onderwerpen, of is het de lidstaten toegestaan slecht één specifiek energieproduct, te weten kolen, aan belasting te onderwerpen, terwijl andere energieproducten, zoals aardgas, onder de vrijstelling blijven vallen?
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 6 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9805
- Hof Arnhem-Leeuwarden 6 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9806
- Hof 's-Hertogenbosch 23 september 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4195
- Hof Den Haag 16 oktober 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3415
- Rb. Den Haag 12 augustus 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:10589
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1979:267
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1980:51
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1981:4
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1982:362
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1985:185
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1986:100
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1986:99
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1987:207
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1987:210
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1990:391
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1991:279
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1992:251
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1995:435
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1998:155
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1999:309