Conclusie A-G Niessen 18 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:25
[B] is, na jarenlang een dienstbetrekking in de Verenigde Staten te hebben vervuld, in Nederland komen wonen. Vervolgens is aan hem een ontslagvergoeding betaald, welke in 2012 is ondergebracht in de daartoe opgerichte stamrecht-BV genaamd [X] B.V., belanghebbende. Daarbij is gebruikgemaakt van de toen geldende stamrechtvrijstelling. Het stamrechtkapitaal is in 2014 in één keer uitgekeerd. In sprongcassatie is in geschil de toedeling van de heffingsbevoegdheid over deze uitkering ineens onder het belastingverdrag Nederland – Verenigde Staten 1992 (hierna: Verdrag). De Rechtbank heeft overwogen dat de uitkering ineens het belastbare feit vormt. Naar haar oordeel ziet het Verdrag niet op deze uitkering en is louter Nederlands recht van toepassing. De vastgestelde feiten doen de A-G vermoeden dat de ontslagvergoeding is verstrekt in de vorm van een recht op een lijfrente in de zin van artikel 19, lid 5, Verdrag, welke ingevolge het eerste lid aan Nederland ter belastingheffing is toegewezen. In elk geval vindt na de verkrijging van dit recht geen belastbaar feit meer plaats waarop het Verdrag van toepassing is. Naar de mening van de A-G heeft de Rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat op de ontslaguitkering ineens in 2014 louter Nederlands recht van toepassing is. Bijgevolg mist het door belanghebbende aangehaalde Commentaar bij het OESO-Modelverdrag in de onderhavige zaak relevantie. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in sprongcassatie van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl