Conclusie A-G Niessen 5 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1351
Het geschil in cassatie betreft de vraag hoeveel belanghebbende in 2012 kan afschrijven op de boekwaarde van de door hem ontwikkelde ‘tool’. Dit betreft software waarmee op een pc aanpassingen en verbeteringen voor mainframeapplicaties kunnen worden ontwikkeld. Belanghebbende, voorheen systeemprogrammeur, heeft de ‘tool’ begin jaren negentig ontwikkeld. Nadat de ‘tool’ bijna twintig jaar op de plank had gelegen, bracht belanghebbende deze in 2011 in zijn eenmanszaak in. Bij de inbreng van de ‘tool’ in zijn eenmanszaak wenste belanghebbende deze te activeren tegen de waarde in het economisch verkeer (€ 250.000). De Inspecteur stond echter activering tegen de historische kostprijs voor (€ 5.000). Dit bracht – aldus de Inspecteur – met zich dat belanghebbende in het jaar 2012 tot een lager bedrag op de ‘tool’ kon afschrijven. Het Hof wijst op HR BNB 1994/178 in welk arrest is beslist dat indien de waarde van een goed is aan te merken als de nog niet gerealiseerde opbrengst van arbeid in de zin van artikel 22 Wet IB 1964, het te activeren bedrag dient te worden beperkt tot het in die waarde begrepen bedrag van de voordien ten behoeve van die werkzaamheden gemaakte kosten, voor zover deze niet reeds ten laste van het inkomen konden worden gebracht. Naar ’s Hofs oordeel geldt de strekking van dit arrest mutatis mutandis nog steeds. Gelet hierop, moet worden beoordeeld of de geactiveerde waarde van de ‘tool’ is aan te merken als nog niet gerealiseerde opbrengst van arbeid. Het Hof overweegt dat belanghebbende in 2012 alsnog de opbrengsten van de door hem in het verleden verrichte arbeid realiseert. Dat belanghebbende in eerste instantie heeft afgezien van exploitatie voor eigen rekening en dat tussen de initiële ontwikkeling van de tool en de uiteindelijke exploitatie een lange periode zit, doet daar volgens het Hof niet aan af. Nu niet in geschil is dat voor de ontwikkeling van de tool (maximaal) € 5.000 kosten zijn gemaakt, moet de meeropbrengst van de tool volgens het Hof volledig toegerekend worden aan de arbeid van belanghebbende. Het gelijk is aan de Inspecteur. Belanghebbende betoogt in cassatie in zijn tweede klacht dat vóór 2011 de ‘tool’ nimmer is betrokken in andere arbeid in de zin van artikel 22 Wet IB 1964 dan wel in een overige werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 Wet IB 2001. De A-G wijst erop dat het Hof louter heeft vastgesteld dat dat belanghebbende de ‘tool’ door eigen arbeid heeft verricht. Met die vaststelling staat volgens de A-G geenszins vast dat sprake was van ‘andere arbeid’ in de zin van de Wet IB 1964. De arbeid kan ook in de privésfeer zijn verricht. Uit de stellingname van de Inspecteur volgt dat evenmin. De Inspecteur zegt weliswaar dat voordeel was beoogd en verwacht en zelfs dat het kenbaar was, maar hij draagt geen feiten en omstandigheden aan waaruit dat aannemelijk is. Gelet op het feit dat het aan de Inspecteur is om aannemelijk te maken dat belanghebbendes standpunt dat te dezen niet sprake is van ‘andere arbeid’, betekent de conclusie dat hij geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zijn standpunt schragen, dat het gelijk in zoverre aan belanghebbende is. De tweede klacht van belanghebbende slaagt derhalve. Belanghebbende voert in zijn eerste klacht aan dat het Hof ten onrechte de hierboven vermelde regel uit HR BNB 1994/178 heeft toegepast, en bovendien op een onjuiste wijze. De A-G is het met belanghebbende eens dat de waarde van de ‘tool’ niet is aan te merken als de nog niet gerealiseerde opbrengst van ‘andere arbeid’. De ratio van de hierboven vermelde regel is overigens ook achterhaald. Volgens de A-G moet de inbrengwaarde van de ‘tool’ worden bepaald volgens de regels van het totaalwinstbeginsel, inhoudende inbreng tegen de waarde in het economisch verkeer. Ook de eerste klacht van belanghebbende slaagt. Aangezien partijen verschillend oordelen over de inbrengwaarde en de afschrijving daarop, is volgens de A-G nader onderzoek nodig. De conclusie van de A-G strekt tot vernietiging en verwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2190
- Rb. Noord-Nederland 2 juni 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:2715
- HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:831
- HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707
- HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY3626
- HR 20 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH1017
- HR 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8421
- HR 9 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5615
- HR 14 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8770
- HR 3 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:BH7882
- HR 23 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9316
- HR 19 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX2901