Conclusie A-G IJzerman 29 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:965

Het gaat hier om de vraag of de gemeente Rijnwaarden in februari 2014 nog bevoegd was aan belanghebbende een aanslag in de afvalstoffenheffing over het jaar 2013 op te leggen, nadat de Verordening afvalstoffenheffing 2013, waarop die aanslag is gebaseerd, per 1 januari 2014, zonder overgangsrecht was ingetrokken. De Heffingsambtenaar heeft op basis van de Verordening afvalstoffenheffing 2013, met dagtekening 28 februari 2014 aan belanghebbende, als gebruiker van een perceel, over het jaar 2013 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Belanghebbende is namelijk van mening dat de aanslag niet (meer) rechtsgeldig aan hem kan worden opgelegd omdat de Verordening afvalstoffenheffing 2013, wegens het in werking treden van de Verordening afvalstoffenheffing 2014, per 1 januari 2014 zonder toelichting of voorbehoud is ingetrokken, terwijl de aanslag ná de datum van inwerkingtreding van het besluit tot intrekking is opgelegd. Het Hof heeft belanghebbende in het gelijk gesteld door te oordelen dat de onderhavige aanslag, nu de gemeentelijke wetgever bij de intrekking van de Verordening 2013 niet heeft bepaald dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor de datum van intrekking hebben voorgedaan, niet berust op een daarvoor toereikende wettelijke grondslag. Het College stelt in zijn cassatiemiddel primair dat de materiële belastingschuld in 2013, ten tijde van de geldigheid van de Verordening afvalstoffenheffing 2013, is ontstaan en dat de gemeente op grond van artikel 11 van de AWR de bevoegdheid heeft om de onderhavige aanslag (in 2014) op te leggen. Subsidiair stelt het College dat de heffing van afvalstoffenheffing in 2014 is voortgezet, onder - behoudens de tarieven - dezelfde materiële en formele belastingbepalingen. De A-G meent dat als uitgangspunt moet gelden dat een rechtsgeldige formalisering van een belastingschuld bij wege van aanslag, moet berusten op een ten tijde van de aanslagoplegging geldende verordening. Zo niet, dan is de aanslag nietig, althans vernietigbaar. Onder omstandigheden zijn daarop volgens de A-G nuanceringen bij aan te brengen, ingeval: (i) de aanslag kan worden gebaseerd op een eerdere, al dan niet oudere, verordening; (ii) een redelijke wetstoepassing met zich meebrengt dat de aanslag toch kan worden opgelegd; (iii) een regeling op grond waarvan de aanslag mede wordt opgelegd slechts dient ter completering van een belastingverordening waaruit de materiële belastingschuld reeds voortvloeit. Dergelijke nuanceringen doen zich volgens de A-G in casu niet voor. Ad (i). Artikel 11 van de Verordening afvalstoffenheffing 2013 bepaalt dat de Verordening afvalstoffenheffing 2012 per 1 januari 2013 is ingetrokken. Er is dus geen sprake van een eerdere verordening waarop de onderhavige aanslag zou kunnen worden gebaseerd. Ad (ii). Nu de gemeentelijke wetgever hier heeft nagelaten te voorzien in overgangsrecht, vindt de A-G het niet op de weg van de rechter liggen om in deze omissie te voorzien door middel van een redelijke wetstoepassing. Ad (iii). In het onderhavige geval gaat het om een aanslag die is opgelegd op basis van de belastingverordening zelf. Het College heeft, ten betoge dat de aanslag rechtsgeldig zou zijn opgelegd, een beroep gedaan op toepassing van artikel 11, derde lid, van de AWR, waarin is bepaald dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Volgens de A-G houdt artikel 11, derde lid, van de AWR, kort gezegd, in dat indien de overheid, materieel en formeel, nog in de positie verkeert om rechtsgeldig een aanslag te kunnen opleggen, de overheid daarvoor maximaal drie jaar de tijd heeft. In casu doet zich echter zijns inziens voor dat de Heffingsambtenaar reeds eerder, sinds 1 januari 2014, niet meer in de positie verkeerde om nog een rechtsgeldige aanslag over 2013 te kunnen opleggen. De wetgever heeft met de driejaarstermijn bedoeld de rechtszekerheid van de belastingplichtigen te dienen, door de heffingsbevoegdheid van de overheid in de tijd te beperken. Artikel 11, derde lid, van de AWR heeft niet als functie bevoegdheidsgebreken van de heffende overheid te helen. Een en ander betekent dat de onderhavige aanslag nietig te achten is. Het middel faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijnwaarden ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken