Conclusie A-G Niessen 5 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:755

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 persoonsgebonden aftrek opgevoerd voor een bedrag van € 1.640 ter zake van uitgaven voor levensonderhoud van kind D (geboren in 1995). D is de dochter van P (de ex-partner van belanghebbendes echtgenoot) uit een eerdere relatie. D had reeds ten tijde van de relatie van de echtgenoot met P geen contact meer met haar biologische vader en beschouwt de echtgenoot als haar vader. Het Hof heeft over de woonsituatie van kind D in het onderhavige jaar onder meer vastgesteld dat D bij haar biologische moeder woonde, D op basis van een omgangsregeling om de week een weekend bij belanghebbende en de echtgenoot verbleef en daarnaast een deel van de vakantieperioden bij belanghebbende en de echtgenoot doorbracht, D ook buiten de omgangsregeling regelmatig bij belanghebbende en de echtgenoot verbleef, D een deel van 2011 bij haar grootouders verbleef, daarna is terechtgekomen in de crisisopvang en door Jeugdzorg is geplaatst bij een alleenstaande pleegouder in [Q]. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat belanghebbende en de echtgenoot de contactpersonen van D waren bij Jeugdzorg, D bij testament als erfgenaam hebben aangewezen en financieel hebben bijgedragen aan de kosten voor levensonderhoud van D (i.e. kleding, kapper en vakantie). In cassatie is in geschil of het kind is te beschouwen als een pleegkind van belanghebbende. Het Hof heeft geoordeeld dat de aldus geïnterpreteerde vraag, de te dezen vastgestelde feiten in aanmerking nemende, voor het onderhavige – door de Rechtbank als ‘bijzonder’ gekenschetste – geval bevestigend moet worden beantwoord. De Staatssecretaris is tegen dit oordeel opgekomen; zijns inziens neemt belanghebbende niet de wezenlijke beslissingen over het kind. Een kind wordt beschouwd als pleegkind wanneer het door de belastingplichtige wordt onderhouden en opgevoed als een eigen kind. Deze omschrijving behelst een dubbele toets; naast een financiële band (de onderhoudseis) zal er ook een ideële band tussen de pleegouder en het kind moeten bestaan (de opvoedingseis). Uit de rechtspraak van de Hoge Raad en de CRvB ter zake van het begrip pleegkind kan worden afgeleid dat aan de opvoedingseis wordt voldaan indien tussen de verzekerde en het kind een verhouding bestaat als die van een ouder met een eigen kind. Deze verhouding moet tot uitdrukking komen in een nauwe en exclusieve opvoedingsrelatie tussen de pleegouder en het kind. A-G Niessen betoogt dat voor zover D in het onderhavige jaar minder of mogelijk niet bij zijn biologische moeder thuis woonde dan uit de uitspraak van het Hof mogelijk zou kunnen worden afgeleid, hetgeen door de Staatssecretaris wordt bepleit, die omstandigheid geen afbreuk doet aan ’s Hofs oordeel dat D pleegkind was van belanghebbende. Voorts merkt de A-G op dat voor zover de Staatssecretaris met zijn grieven betoogt dat niet aan de onderhoudseis is voldaan, de klacht ook niet kan slagen, daar hiermee buiten de rechtsstrijd zou worden getreden. Het Hof heeft in r.o. 4.2 van zijn uitspraak immers overwogen dat de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat ten aanzien van D wel aan de onderhoudseis, maar niet aan de opvoedingseis is voldaan. Volgens A-G Niessen faalt ook overigens het middel, aangezien ’s Hofs genoemde oordeel, waarin het klaarblijkelijk op grond van (onder meer) de omstandigheid dat belanghebbende bij Jeugdzorg als contactpersoon van het kind is aangewezen, de conclusie gerechtvaardigd acht dat belanghebbende de plaats inneemt van een ouder, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige zozeer verweven is met oordelen van feitelijke aard dat het in cassatie onaantastbaar is. De conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken