Conclusie A-G Niessen 4 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:55
Belanghebbende bezit in de jaren 2005 t/m 2008 een aantal onroerende zaken. In 2010 is er bij de belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de waarde van deze panden. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek zijn aan de belanghebbende over de jaren 2005 t/m 2008 navorderingsaanslagen en boetes opgelegd waarin de waarde van de panden is gecorrigeerd (verhoogd). belanghebbende is tegen de navorderingsaanslagen en boetes in bezwaar gegaan. In de bezwaarfase zijn partijen een compromis (hierna: de VSO) overeengekomen waarin overeenstemming is bereikt over al hetgeen hen verdeeld hield, met uitzondering van de juiste waarde waarvoor de panden in box 3 in aanmerking dienen te worden genomen en de hoogte van de aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding. In geschil zijn de juiste waarde van de panden en punten van formeelrechtelijke aard. Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) heeft geoordeeld dat de tijdens de bezwaarfase gesloten VSO meebrengt dat niet in rechte getoetst kan worden of de inspecteur beschikte over het voor het opleggen van navorderingsaanslagen vereiste nieuwe feit; dat de Inspecteur de hoogte van de navorderingsaanslagen – door de waarde in het economische verkeer van de panden te waarderen met gebruikmaking van de ontwikkeling van de woning-/winkelbeleggingsmarkt – voldoende aannemelijk heeft gemaakt; dat de inspecteur – niettegenstaande het feit dat hij de aangifte van belanghebbende in 2009 abusievelijk heeft gevolgd – het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden; dat het geen gronden aanwezig acht voor een (integrale) veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 AWB en tot slot dat het geen reden ziet vanwege vermeende niet-voortvarendheid van de Inspecteur de heffingsrente te mitigeren. Belanghebbendes hoger beroep is ongegrond. A-G Niessen meent – anders dan belanghebbende - dat het Hof, gezien het Chinese-potarrest (HR 12 juli 2013, nr. 12/02319, ECLI:NL:HR:2013:31) terecht heeft beslist dat de Inspecteur bij de bepalingen van de waarde van de panden in de aanslagjaren rekening mocht houden met de verkoopprijs daarvan in 2009. Ook de overige (motiverings)klachten falen naar het oordeel van de A-G.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 18 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3983
- Rb. Den Haag 6 maart 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:3042
- HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:31
- HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8869
- HR 26 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5624
- HR 20 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3148
- HR 3 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9623
- HR 5 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX2950