Conclusie A-G Vegter 29 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:386

1. Unus testis klacht. 2. Afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde onderzoek te doen naar de detentiegeschiktheid van verdachte. Ad 1: HR: art. 81.1 RO. Ad 2. HR: het betreft een verzoek a.b.i. art. 328 jo. art. 331 Sv om gebruik te maken van de in art. 315 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf bij beoordeling van e.d. verzoek is of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Het Hof heeft de juiste maatstaf toegepast en heeft, zij het - gelet op o.m. ECLI:NL:HR:1995:AC0054, NJ 1996/166 - in minder gelukkige bewoordingen, kennelijk beoogd tot uitdrukking te brengen dat het de namens verdachte aangevoerde omstandigheden heeft betrokken bij zijn beslissing omtrent de op te leggen straf en dat het verder onderzoek dienaangaande niet noodzakelijk oordeelt. Gelet op enerzijds het uitzonderlijke karakter van de relevantie van detentieongeschiktheid i.h.k.v. de straftoemeting en de eisen die daarom aan de onderbouwing van een verzoek tot onderzoek daarnaar mogen worden gesteld, en anderzijds hetgeen namens verdachte is aangevoerd, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. CAG middel 2: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken