Conclusie A-G IJzerman 28 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:337
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het principale beroep in cassatie van het Hoogheemraadschap van Delfland, belanghebbende, het beroep in cassatie van het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland, alsmede het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep in cassatie van belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 13 mei 2015, nr. BK-13/01789 t/m BK-13/01791, ECLI:NL:GHDHA:2015:1199. Belanghebbende, een waterschap, is eigenaar van een groot complex dat dient als afvalwaterzuiveringsinstallatie. Voor de bouw en realisatie van het complex heeft belanghebbende met [B] B.V., in het kader van een publiek-private samenwerking, op 4 december 2003 een Design, Build, Finance and Operate-overeenkomst gesloten. De dagelijkse exploitatie van het complex heeft [B] B.V. overgedragen aan [C] B.V. De Heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Delfland heeft bij WOZ-beschikkingen van 30 december 2011 de waarden van het complex voor de kalenderjaren 2009, 2010 en 2011 vastgesteld, op respectievelijk € 219.474.000, € 220.662.000 en € 205.446.000. Elke beschikking is verenigd met de voor het desbetreffende jaar aan belanghebbende opgelegde OZB-aanslagen. Belanghebbende heeft bezwaar en beroep ingesteld inzake de WOZ-beschikkingen en de OZB-aanslagen. Bij de Rechtbank was in de eerste plaats in geschil of de Heffingsambtenaar de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties juist heeft toegepast. Voorts was in geschil of de Heffingsambtenaar de waarde van het complex ook overigens, al dan niet, op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Ingevolge de zogenoemde uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties, wordt bij het bepalen van de WOZ-waarde buiten aanmerking gelaten de waarde van werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning. De Rechtbank heeft geoordeeld dat voor wat betreft het gehele complex is voldaan aan de voorwaarden voor het toepassen van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties. Aldus had de Heffingsambtenaar bij het bepalen van de WOZ-waarden van het complex de waarde daarvan in zijn geheel buiten aanmerking moeten laten. De Rechtbank heeft de bij de WOZ-beschikkingen vastgestelde waarden verminderd tot nihil en de OZB-aanslagen vernietigd. In hoger beroep heeft het Hof geoordeeld dat de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties alleen ziet op de waarden van de tot het complex behorende werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater. Volgens het Hof dient niet voor het complex als geheel doch voor elk werk afzonderlijk te worden beoordeeld of het wordt beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen. Van een en ander uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de door de Heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarden van het complex dienen te worden verminderd tot € 38.960.000 (2009), € 38.510.000 (2010) en € 35.890.000 (2011). Het gaat thans in cassatie ten eerste om de uitleg en de invulling van de vraag welke werken kunnen worden aangemerkt als te zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater. Ten tweede gaat het om de maatstaf ter beoordeling wanneer bepaalde werken worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen. Dit speelt hier, omdat belanghebbende, zelf een publiekrechtelijke rechtspersoon, de dagelijkse exploitatie van het complex heeft uitbesteed aan een privaatrechtelijke onderneming. Naar aanleiding van het eerste middel van belanghebbende meent de A-G dat voor de reikwijdte van het in de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties opgenomen wettelijke begrip ‘werken de zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater’, een functioneel criterium dient te gelden. Daaronder kunnen, naar de A-G meent, worden begrepen die onderdelen van het afgebakende object die rechtstreeks verband houden met het zuiveren van riool- en ander afvalwater en de bestanddelen daarvan in de zin van artikel 3:4 van het BW, alsmede elk onderdeel van het afgebakende object dat nodig is om de afvalwaterzuiveringsinstallatie als zodanig te kunnen doen functioneren. Het Hof heeft deze maatstaf kennelijk niet aangelegd, zodat dit middel slaagt. Het eerste middel van het College strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het complex wordt beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen. De A-G meent, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, dat er ter beoordeling van de vraag of sprake is van werken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, moet worden bezien of met de werken waarmee het riool- en ander afvalwater wordt gezuiverd, uitvoering wordt gegeven aan een publieke taak die bij wet is opgedragen aan de waterschappen. De A-G merkt op dat het zuiveren van afvalwater inderdaad een wettelijke taak van de waterschappen is. Daaraan kan volgens de A-G niet afdoen dat hier sprake is van een publiek-private samenwerking, zodat dit middel faalt. Het principale beroep in cassatie van belanghebbende dient gegrond te worden verklaard. Het beroep in cassatie van het College dient ongegrond te worden verklaard, hetgeen betekent dat belanghebbendes voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep in cassatie vervalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 15a WVO
- Artikel 15a WVOW
- Artikel 1 Wschw
- Artikel 3:3 BW3
- Artikel 3:4 BW3
- Artikel 220d Gemw
- Artikel 229 Gemw
- Artikel 273 Gemw
- Artikel 16 WOZ
- Artikel 17 WOZ
- Artikel 18 WOZ
- Artikel 20 WOZ
- Artikel 2 Uitv reg uitg obj
- Artikel 1.1 Wtw
- Artikel 3.4 Wtw
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 26 BUPO
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 13 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1199
- Rb. Den Haag 5 november 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:15262
- HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2972
- HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD3578
- HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD3591
- HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE7337
- Conclusie A-G Groeneveld 9 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE7337
- HR 21 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3522
- HR 23 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5590
- HR 25 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC3977
- HR 15 juli 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7626