Conclusie A-G Wattel 18 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:118

Premieheffing; Schumacker-rechtspraak Belanghebbende, Poolse, werkt en woont van 1 januari t/m 21 juni 2013 in Nederland en keert daarna terug naar Polen, waar zij niet verzekerd is; tijdsevenredige korting op het premiedeel van de algemene heffingskorting; strijd met het vrije werknemersverkeer? Geldt de Schumacker-jurisprudentie van het HvJ EU ook voor de premieheffing? Feiten: De belanghebbende heeft de Poolse nationaliteit en heeft van 1 januari t/m 21 juni 2013 in Nederland gewerkt waarvoor haar € 9.401 is betaald. Na 21 juni 2013 is zij teruggekeerd naar Polen, waar zij de rest van 2013 geen betaalde arbeid heeft verricht. Tot 21 juni 2013 was zij in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen en is van haar uit dien hoofde € 2.928 aan premie volksverzekeringen geheven. Zij is op haar verzoek ex art. 2.5 (oud) Wet IB 2001 als fictief binnenlands belastingplichtige in de heffing van de inkomstenbelasting betrokken. Op grond van art. 2.6a Regeling Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is het premiedeel van de algemene heffingskorting tijdsevenredig herrekend. De Inspecteur heeft belanghebbendes daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. In geschil is of het recht op vrij verkeer van werknemers (art. 45 VwEU) de belanghebbende recht geeft op de volle algemene heffingskorting, met name of art. 2.6a Regeling Wfsv migrerende werknemers zoals zij ongerechtvaardigd discrimineert. Rechtbank Zeeland-West-Brabant meende van niet, omdat de belanghebbende volgens haar moet worden vergeleken met een inwoner van Nederland die in dezelfde periode in Nederland werkte en daarna naar Polen vertrok. Die persoon zou evenmin recht hebben gehad op de volle premieheffingskorting, omdat die persoon evenmin gedurende het hele jaar verzekerd zou zijn geweest. Hof ’s-Hertogenbosch heeft zich aangesloten bij het oordeel en de argumentatie van de Rechtbank. Op belanghebbende beroep op de Schumacker-rechtspraak van het HvJ EU heeft het Hof geoordeeld dat toekenning van het premiedeel van de heffingskorting rechtstreeks en uitsluitend gekoppeld is aan het verzekerd zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen en dat er een objectief verschil bestaat tussen verzekerden en niet-verzekerden, zodat het Nederlandse systeem van tijdsevenredige herrekening niet tot strijd met EU-recht leidt. In cassatie stelt de belanghebbende (opnieuw) dat de vermindering van het premiedeel van de heffingskorting gebaseerd wordt op een ongeoorloofd onderscheid naar woonplaats en het vrije verkeer van personen belemmert. Belanghebbende doet, evenals in hoger beroep, een beroep op de Schumacker-leer. A-G Wattel meent dat het binnen Schumacker-logica van het HvJ EU (met name in de arresten Zurstrassen, Wallentin, Commissie v Estland en Kieback) een acte clair is dat de belanghebbende net als de geheel binnenlandse maatvrouw die op dezelfde datum ophoudt bijdragplichtig inkomen te genieten, recht heeft op het volle premiedeel van de algemene heffingskorting. Na 21 juni 2013 heeft de belanghebbende geen inkomen in Polen, waardoor zij in 2013 aldaar niet verzekerd was en Polen geen rekening kon houden met haar persoonlijke en gezinssituatie. Volgens de Schumacker-leer rust die verplichting dan op het voormalige woon- en werkland Nederland. Hier doet volgens de A-G niet aan af dat de Schumacker-rechtspraak gaat over niet gecoördineerde inkomstenbelastingheffing, terwijl de nationale volksverzekeringsstelsels gecoördineerd worden door Vo. 883/2004. Die Verordening is secundair recht dat conform primair EU-recht – het vrije werknemersverkeer zoals uitgelegd in de Schumacker-rechtspraak - moet worden toegepast en zegt bovendien niets over premieheffing of inaanmerkingneming van persoonlijke omstandigheden. Uit de arresten HR BNB 2005/119, HR BNB 2007/207 en HvJ EU Blanckaert volgt dat in beginsel koppeling van premieheffingsfaciliteiten aan het al dan niet verzekerd zijn toegestaan is, volgt daaruit geenszins dat de Schumacker-leer en de verdragsvrijheden geen rol spelen bij de premieheffing; integendeel. Belanghebbendes geval is voorts geenszins vergelijkbaar met die drie gevallen, die alle drie in wezen pogingen betroffen tot het eten van twee wallen door niet-verzekerden die nooit premie hadden betaald in Nederland en elders verzekerd waren zodat elders met hun omstandigheden rekening gehouden kon worden; anders dan de belanghebbende dus geen Schumacker-gevallen. Blanckaert strookt juist met Schumacker. De A-G meent dat in belanghebbendes geval het onderscheid tussen verzekerd en niet-verzekerd neerkomt op onderscheid naar al dan niet gebruikmaken van het vrije personenverkeer. Ook de escape uit de zaken De Groot en Amurta (er is een Verordening die toewijst aan Polen) is niet aan de orde, nu die toewijzing er niet toe leidt dat Polen belanghebbendes omstandigheden in aanmerking kan nemen. Ook als de met de Schumacker-lijn onverenigbare arresten Welte en Mattner en de met D. v Inspecteur onverenigbare arresten Miljoen, X. en Société Générale op belanghebbendes geval worden toegepast (die arresten maken juist de bron/situsstaat verantwoordelijk en zien belastingvrije voeten niet als inaanmerkingneming van persoonlijke omstandigheden omdat iedereen ze krijgt), leidt dat tot steun voor belanghebbendes standpunt. Omdat ‘s Hofs rechtspraak echter niet als acte clair gezien kan worden, meent de A-G dat het HvJ EU prejudicieel de vraag te stellen ware of in de omstandigheden van de belanghebbende in (heel) 2013, met name het ontbreken van verzekering in Polen na 21 juni, zodat aldaar met haar persoonlijke omstandigheden geen rekening gehouden kon worden bij de premieheffing, het vrije personenverkeer zich ertegen verzet, met name in ’s Hofs uitleg daarvan in de zaken Schumacker, Zurstrassen, D. v Belastingdienst, Wallentin, Commissie v Estland, Blanckaert, Kieback, Mattner, Welte, en de gevoegde zaken Miljoen, X. en Société Générale, dat Nederland haar premieheffingskorting tijdsevenredig kort op de grond dat zij na 21 juni 2013 niet in Nederland verzekerd was (maar ook niet in Polen), hoewel een inwoner met identiek bijdrageplichtig inkomen over het gehele jaar die op dezelfde datum ophoudt bijdrageplichtig inkomen te genieten maar geen gebruik maakt van het vrije verkeer, niet gekort wordt. Conclusie: prejudiciële vragen stellen aan het HvJ EU.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken