Conclusie A-G Niessen 20 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1102

Aan het urencriterium van artikel 2c UBLB 1965 is voldaan indien op doorgaans ten minste twee dagen per week werkzaamheden worden verricht, waarbij niet van belang is hoeveel uren op twee dagen gewerkt wordt, doch slechts dat gewerkt wordt. Het begrip ‘doorgaans’ heeft binnen het urencriterium een dubbele betekenis. Naast de continuïteit van de arbeidsverhouding is van belang dat ‘doorgaans’ ten minste twee dagen per week gewerkt wordt. Belanghebbende is werkzaam als verpleegkundige. Zij heeft vanaf november 2013 en in 2014 werkzaamheden verricht op basis van een drietal overeenkomsten, namelijk een arbeidsovereenkomst met [C], een zorgverleningsovereenkomst met [A] en een overeenkomst met haar echtgenoot. In 2009 heeft belanghebbende een “Aanvraag Verklaring arbeidsrelatie voor het jaar 2010 ingediend. Op basis van de door haar geschetste feiten heeft de inspecteur voor het jaar 2010 een VAR-WUO afgegeven, welke voor de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014 automatisch is verlengd. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur besloten de VAR-WUO’s over de jaren 2013 en 2014 te herzien en een VAR-LOON af te geven. Belanghebbende is in beroep gekomen. Gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat VAR-WUO’s terecht zijn herzien en de VAR-LOON, voor wat betreft de [C]-werkzaamheden, terecht is opgelegd. Ter zake van [A]- en ‘echtgenoot-werkzaamheden’ heeft het Hof geoordeeld dat noch aannemelijk is geworden dat belanghebbende deze werkzaamheden als ondernemer heeft verricht, noch dat belanghebbende deze werkzaamheden in (fictieve) dienstbetrekking heeft verricht. Het Hof heeft de voordelen, voortvloeiende uit [A]- en ‘echtgenoot-werkzaamheden’, aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris hebben beroep in cassatie gesteld. De Staatssecretaris voert onder meer aan dat het Hof het urencriterium in art. 2c UBLB 1965 onjuist heeft toegepast, door te oordelen dat gemiddeld 1,5 dag per week werk verrichten onvoldoende is om aan het urencriterium te voldoen. Volgens de Staatssecretaris is niet van belang hoeveel uren op ten minste twee dagen gewerkt wordt, doch slechts dat gewerkt wordt. De A-G sluit zich bij dit standpunt aan, doch wijst erop dat i.c. geen sprake is van een fictieve dienstbetrekking in de zin van art. 2c UBLB 1965, omdat belanghebbende niet ‘doorgaans’ 1,5 dag per week werk verricht. Het begrip ‘doorgaans’ heeft binnen het urencriterium namelijk een dubbele betekenis. Naast de continuïteit van de arbeidsverhouding is van belang dat ‘in de regel’ ten minste twee dagen per week gewerkt wordt. Van in de regel op ten minste twee dagen per week werk verrichten is in de onderhavige zaak geen sprake.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken