Conclusie A-G Ettema 17 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1037

Belanghebbende heeft 27 aangiften ten invoer gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van scheepscasco’s. Zij heeft deze goederen aangegeven onder postonderverdeling 8901 90 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) (0%), zijnde ‘andere schepen voor het vervoer van goederen en andere schepen die zowel bestemd zijn voor het vervoer van personen als van goederen: zeeschepen’. De Inspecteur is van mening dat geen sprake is van casco’s van zeeschepen, maar van casco’s van andere dan zeeschepen, die zijns inziens hadden moeten worden aangegeven onder één van de volgende postonderverdelingen: 8901 20 90 (tankschepen, andere dan zeeschepen), 8901 90 91 (andere dan zeeschepen, bestemd voor het vervoer van goederen (en personen), zonder mechanische voortbeweging) of 8901 90 99 (andere dan zeeschepen, bestemd voor het vervoer van goederen (en personen), met mechanische voortbeweging) van de GN (1,7%). In deze procedure staat de indeling van de scheepscasco’s centraal. Voorts speelt de vraag of de douaneautoriteiten een ‘vergissing’ hebben begaan als bedoeld in artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het Communautair Douanewetboek (CDW). Rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank) is van oordeel dat de scheepscasco’s niet als zeeschepen bestemd voor het vervoer van goederen (en personen) kunnen worden ingedeeld. Voorts is de Rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW. Gerechtshof Amsterdam (het Hof) is eveneens van oordeel dat de scheepscasco’s geen zeeschepen bestemd voor het vervoer van goederen (en personen) zijn en dat deze casco’s naar gelang hun aard dienen te worden ingedeeld onder respectievelijk de postonderverdeling 8901 20 90, postonderverdeling 8901 90 91 of postonderverdeling 8901 90 99 van de GN. Met betrekking tot de vraag of moet worden afgezien van navordering op grond van artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW, oordeelt het Hof dat de door belanghebbende genoemde gedragingen van de Inspecteur (het verstrekken van een onjuiste telefonische tariefinlichting, het jarenlang niet controleren van enige aangifte van belanghebbende (stilzitten) en de fysieke controle van één aangifte, gedaan door de direct vertegenwoordiger van belanghebbende in opdracht van een andere importeur) niet als een vergissing als bedoeld in voornoemde bepaling kunnen worden aangemerkt. Naar de mening van A-G Ettema heeft het Hof uit (andere taalversies van) de wettelijk bepalende bewoordingen van de door belanghebbende voor het Hof bepleite postonderverdelingen 8901 20 10 en 8901 90 10 en van de aanvullende aantekening 1 op hoofdstuk 89 terecht afgeleid dat de genoemde postonderverdelingen alleen betrekking kunnen hebben op schepen ‘ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee’. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de scheepscasco’s zijn ontworpen en gebouwd voor de vaart op binnenwateren en voorts dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de scheepscasco’s geschikt zijn voor gebruik in volle zee, laat staan dat zij voor dergelijk gebruik zijn ontworpen en gebouwd. De kern van het oordeel van het Hof is in de visie van de A-G dat de scheepscasco’s op basis van de objectieve kenmerken en eigenschappen van die goederen niet zijn ‘ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee’. Met betrekking tot het door belanghebbende bepleite geschiktheidscriterium merkt de A-G op dat de feiten in de onderhavige zaak sterk vergelijkbaar zijn met die van B.A.S. Trucks (1) . Uit dit HvJ arrest leidt zij af dat indien de bestemming van een product van belang is bij de indeling en het product meerdere bestemmingen heeft of kan hebben, vastgesteld dient te worden voor welke bestemming het product primair is ontworpen. Zij meent dat de overwegingen uit B.A.S. Trucks een-op-een kunnen worden toegepast op de onderhavige zaak. Niet doorslaggevend is dat de door belanghebbende ingevoerde scheepscasco’s zeewaardig zijn, maar of deze primair zijn ontworpen (en gebouwd) voor de vaart in volle zee. ’s Hof oordeel dat de scheepscasco’s niet geschikt zijn om bij moeilijke weersomstandigheden op zee te verblijven, is volgens de A-G voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. De A-G meent dat het wegen van deskundigenverklaringen is voorbehouden aan het Hof. Aangezien belanghebbende geen andere objectieve criteria heeft gesteld en aannemelijk heeft gemaakt, is het oordeel dat de scheepscasco’s niet als ‘zeeschepen’ kunnen worden aangemerkt in cassatie niet aan te tasten. De A-G komt tot de slotsom dat het Hof met betrekking tot de indeling van de scheepscasco’s onder postonderverdeling 8901 90 10 van de GN de juiste rechtskundige maatstaf heeft toegepast en dat dit oordeel toereikend is gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is. Belanghebbendes eerste middel faalt daarom. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW is de A-G van mening dat het verstrekken van een telefonische tariefinlichting door de douaneautoriteiten en het niet-controleren van de aangiften van belanghebbende (stilzitten) niet als vergissingen als bedoeld in artikel 220, lid 2, onderdeel b, van het CDW kunnen worden beschouwd op grond waarvan de boeking achteraf achterwege zou moeten blijven. Zij meent dat met betrekking tot de controle van een aangifte die belanghebbendes vertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere aangever heeft gedaan, het Hof aan de hand van de tweede voorwaarde van artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW had moeten beoordelen of belanghebbende gewettigd vertrouwen kon ontlenen aan dat handelen. Nu het Hof aan zijn oordeel mede ten grondslag heeft gelegd dat de douaneautoriteiten niet beschikten over “alle volledige en juiste (feitelijke) gegevens, benodigd voor een correcte toepassing van de desbetreffende indeling”, heeft hij terecht geoordeeld dat de Inspecteur op grond van artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van de CDW niet gehouden was af te zien van navordering. Dit oordeel is in de visie van de A-G voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Ten slotte is de A-G van mening dat niet kan worden uitgesloten dat het stilzitten van de douane zodanig samenhangt met (een) andere door belanghebbende genoemde gedraging(en) dat moet worden geconcludeerd dat deze in onderlinge samenhang bezien wel als een vergissing als bedoeld in artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW moeten worden aangemerkt. Dat vergt een onderzoek van feitelijke aard, waarvoor in cassatie geen plaats is. Gelet hierop kan de hofuitspraak naar het oordeel van de A-G niet in stand blijven en moet verwijzing volgen. Het tweede cassatiemiddel slaagt in zoverre. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen. 1. HvJ 11 januari 2007, B.A.S. Trucks, C-400/05, ECLI:EU:C:2007:22.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken