Conclusie A-G van Hilten 29 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:998

Belanghebbende, ondernemer in de zin van de omzetbelasting, heeft een gebruikte bestelauto in Duitsland gekocht en naar Nederland overgebracht. Ter zake van de registratie is hem op de voet van artikel 13a, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) vrijstelling verleend van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (verder: bpm). Ongeveer tien maanden later heeft belanghebbende de bestelauto verkocht aan een particulier. Op het tijdstip van deze verkoop was sinds de eerste toelating van de bestelauto vier jaar en (ruim) acht maanden verstreken. Op grond van artikel 10, lid 3, van de Wet BPM geldt dat een bestelauto pas na het verstrijken van vijf jaar na eerste toelating zonder gevolgen voor de vrijstelling van bpm door een ondernemer aan een particulier kan worden verkocht. Bij verkoop van een bestelauto die jonger is dan vijf jaar, geldt dat de verkopende ondernemer alsnog bpm verschuldigd wordt. In cassatie is niet in geschil dát belanghebbende de vrijstelling van bpm (voor een deel) heeft verspeeld door binnen vijf jaar na eerste toelating de bestelauto aan een particulier te verkopen. Het gaat om de hoogte c.q. de berekening van de nageheven bpm. A-G Van Hilten gaat in deze conclusie in op de wetsgeschiedenis van de vrijstelling. Deze is in zoverre complex, dat de regelgeving inzake de bestelauto-van-de-ondernemer in de in geding zijnde jaren (nagenoeg) jaarlijks is aangepast. Wat betreft het belastbare feit acht A-G Van Hilten – gezien de wetsgeschiedenis – evident dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om (zonder grensformaliteiten) daarvoor materieel de toetreding tot het Nederlandse wegennet te hanteren. Op dat moment moet de auto – nieuw of gebruikt en afkomstig uit het buitenland – geregistreerd zijn. Dit in aanmerking nemend is de registratie een ‘logisch’ belastbaar feit. Vervolgens gaat A-G Van Hilten in op de maatstaf van heffing van bpm van bestelauto’s. Als een bestelauto na verloop van minimaal vijf jaar na eerste ingebruikneming wordt verkocht aan een niet-ondernemer, is de vermindering die op de maatstaf van heffing (de netto catalogusprijs) wordt toegepast, even groot als de maatstaf van heffing, zodat geen bpm verschuldigd is. Uit de wetsgeschiedenis leidt A-G Van Hilten af dat de wetgever door de vermindering voor bestelauto’s al na vijf jaar op 100 procent te stellen, rekening heeft willen houden met een snellere afschrijving van bestelauto’s. Daarvan uitgaande lijkt het haar dat de verminderingstabel – die beoogt de waardevermindering van auto’s te benaderen – niet goed bruikbaar is voor bestelauto’s. A-G Van Hilten kan zich niet goed voorstellen dat een bestelauto tussen een leeftijd van 5 jaar-min-een-dag en 5 jaar-plus-een-dag in één klap 29% (uitgaande van de tabel uit 2011) in waarde daalt. Haars inziens doet het hanteren van de personenautotabel op bestelauto’s geen recht aan de werkelijke waardedaling van de bestelauto. De A-G had het meer in de geest van de wet gevonden indien de verminderingstabel niet van toepassing was geacht op bestelauto’s, en er voor bestelauto’s een afzonderlijke verminderingstabel in de regelgeving was opgenomen, dan wel wanneer voor bestelauto’s, ondanks mogelijk hogere uitvoeringskosten toch de werkelijke waardedaling/afschrijving in aanmerking had (kunnen) blijven worden genomen bij de berekening van de vermindering. Daarnaast komt de vraag aan de orde of in de voorliggende situatie artikel 110 WVEU een rol speelt. Met de heffing ter zake van de registratie bij binnenkomst in Nederland, is de bestelauto naar de A-G meent een ‘binnenlandse’ auto geworden. Zij behoort vanaf het moment van de registratie tot het Nederlandse wagenpark, de aan de auto klevende latente bpm-claim is gelijk aan die van een vergelijkbare Nederlandse auto (de latente bpm loopt vanaf registratie gelijk op met die van een vergelijkbare auto die in Nederland als nieuw is geregistreerd). Naar mening van de A-G is daarmee al wat er verder met de bestelauto gebeurt – fiscaaltechnisch althans – een interne Nederlandse aangelegenheid, die buiten bereik van het Europese recht valt. Het Europese recht, in casu met name artikel 110 VWEU, speelt haars inziens dan ook geen rol bij gelegenheid van de verkoop van de bestelauto voordat de vijfjaarstermijn van artikel 10, lid 3, van de Wet BPM is overschreden. De A-G gaat vervolgens in op de vraag of in de onderhavige situatie nog mag worden uitgegaan van de tekst van Wet BPM zoals deze in 2011 luidde. Bedacht moet immers worden dat het in casu gaat om een belastbaar feit (de registratie in het kentekenregister) dat zich in 2011 heeft voorgedaan. A-G Van Hilten beantwoordt deze vraag ontkennend. Er is geen sprake van het ‘terugnemen’ van een vrijstelling uit 2011, maar van het heffen van het restant aan bpm dat in 2012 nog wordt geacht op de bestelauto te drukken bij particulier gebruik. In zoverre is de vrijstelling geen echte vrijstelling, maar een latente bpm-claim die op de bestelauto rust en die kleiner wordt al naar gelang de auto ouder wordt (en na verloop van vijf jaar na eerste toelating tot nul is gereduceerd). Een overgangsregeling voor bestelauto’s die vóór 2012 in gebruikte staat en met toepassing van de vrijstelling zijn geregistreerd is niet getroffen. De A-G komt tot de slotsom dat in casu de voor belanghebbende nadeliger uitpakkende wettekst van 2012 in casu van toepassing is bij de berekening van de nog verschuldigde bpm. Dan resteert nog de vraag of bij de berekening van de waardedaling van de bestelauto mag worden uitgegaan van de afschrijvingstabel van artikel 8, lid 6, van de UR BPM, zoals deze vanaf 1 juli 2012 luidt, in plaats van de tabel die ten tijde van de verkoop van de bestelauto aan de particulier, eindfebruari 2012 gold. In aanmerking nemende dat het in casu gaat om een ‘interne’ situatie, die niet door het Unierecht wordt beheerst, kan naar mening van de A-G aan de gewijzigde tabel geen terugwerkende kracht worden toegekend. Een overgangsregeling is niet getroffen, en naar zij meent vormt de wijziging van de tabel een materiële wijziging van de regelgeving, ten aanzien waarvan het vaste leer is dat deze uitsluitend van toepassing is op (tot belastingheffing aanleiding gevende) feiten die zich ná de wijziging voordoen c.q. belastingschulden die ná de wijziging ontstaan. Dat doet zich in casu niet voor. A-G Van Hilten geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken