Conclusie A-G Niessen 13 april 2015, ECLI:NL:PHR:2015:521

Belanghebbende is op 32-jarige leeftijd begonnen met een opleiding tot verkeersvlieger. Belanghebbende heeft in diens aangifte IB/PVV 2009 als persoonsgebonden aftrek een bedrag van € 44.057 als scholingsuitgaven opgevoerd. De Inspecteur weigert deze aftrek te verlenen aangezien de aftrek voor scholingsuitgaven buiten de standaardstudieperiode - een periode van niet meer dan zestien kalenderkwartalen na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar maar voor het bereiken van de leeftijd van 30 jaar - gemaximeerd is op een bedrag van € 15.000. De Inspecteur stelt de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek dan ook vast op een bedrag van € 15.000. Het geschil in cassatie betreft de vraag of de regeling voor aftrek van scholingsuitgaven uit artikel 6.30 Wet IB 2001 een verboden onderscheid naar leeftijd maakt. De A-G toetst deze regeling aan de discriminatieverboden zoals opgenomen in artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Studenten die de leeftijd van 30 jaar reeds bereikt hebben, zijn, naar het oordeel van de A-G, gelijk aan studenten met een leeftijd tussen de 18 en 30 jaar. Studenten die behoren tot eerstgenoemde categorie kunnen echter geen gebruik maken van de verruimde aftrekmogelijkheid gedurende de standaardstudieperiode en om deze reden is er sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Een dergelijke ongelijke behandeling is slechts gerechtvaardigd indien er redelijke en objectieve gronden zijn voor dit onderscheid. De rechtvaardiging die door de medewetgever wordt aangedragen komt - samenvattend - neer op de gedachte dat studeren in principe een aangelegenheid is voor de jongere levensfase van mensen. Deze gedachte sluit aan bij de jurisprudentie waaruit blijkt dat het mogelijk is om, op grond van fiscaal, financieel of sociaal beleid, specifieke leeftijdsgroepen te bevoordelen. De A-G constateert echter tegelijkertijd dat de leeftijdsgrens voor het volgen van een opleiding aan het vervagen is. Dankzij de huidige snelle technische en maatschappelijke ontwikkeling, die niet alleen noopt tot het steeds bijhouden en verversen van kennis maar ook ertoe kan leiden dat een eerder gemaakte keuze voor studie en/of beroep achterhaald blijkt te zijn en niet meer op een zinvolle wijze in het economische verkeer kan worden voortgezet, doet namelijk vandaag de dag ook het idee “een leven lang leren” opgeld. Niettegenstaande deze vervaging valt niet te ontkennen dat jongere mensen en ouderen wanneer het om opleiding gaat, niet zonder meer in gelijke omstandigheden verkeren. Ouderen hebben in beginsel in eerdere jaren de mogelijkheid gehad de door de overheid geboden faciliteiten te benutten en verkeren nu in een fase waarin zij meer zelfstandig zijn. Deze omstandigheden zijn naar het de A-G voorkomt niet zonder meer dwingend om een leeftijdsgrens zoals de door belanghebbende gewraakte te rechtvaardigen, maar de wetgever is naar diens oordeel gebleven binnen de bekende hem toekomende ‘wide margin of appreciation’. Het gemaakte onderscheid wordt dus gerechtvaardigd door objectieve en redelijke gronden. Bovendien voldoet het in de regeling voor scholingsuitgaven gemaakte onderscheid aan het noodzakelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel. De conclusie van de A-G strekt ertoe het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken