Conclusie A-G Niessen 17 december 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2516
Belanghebbende is, middellijk door Landgoed BV (hierna: de BV), eigenaar van een NSW-landgoed. Het NSW-landgoed bestaat uit bos, natuurterrein, landbouwgrond en een stuk grond waarop een golfcomplex is gerealiseerd. De BV heeft het golfcomplex via een andere BV aan een stichting verhuurd, die een gebruiksrecht op het golfcomplex verleend heeft aan een golfclub. In geschil is of belanghebbende aanspraak kan maken op de in artikel 5.7, eerste lid, onderdeel c Wet IB 2001 vervatte vrijstelling voor tot een NSW-landgoed behorende onroerende zaken. Volgens de Inspecteur is door de verhuur van het golfterrein geen sprake van volledig eigendom en kan dientengevolge de vrijstelling niet toegepast worden. Het Gerechtshof Den Haag stelt voorop dat uit het systeem van de Wet IB 2001 (artikel 5.7 in verbinding met artikel 5.3) en de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de vrijstelling uitsluitend van toepassing is als sprake is van volledig eigendom van de onroerende zaak. Het Hof verwerpt het standpunt van de Inspecteur dat verhuur de vrijstelling blokkeert. Het huurrecht − een persoonlijk gebruiksrecht – maakt immers geen inbreuk op het zakelijk recht van eigendom dat rust op de grond. Bovendien is het Hof het niet met de Inspecteur eens dat de BV niet het volledige economische belang bij het NSW-landgoed heeft. Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond. A-G Niessen stelt vast dat het NSW-landgoed ingevolge artikel 10.9 Wet IB 2001 toegerekend wordt aan belanghebbende, en dat aldus getoetst moet worden of belanghebbende recht heeft op de NSW-vrijstelling. De A-G leidt uit de parlementaire behandeling af dat voor begrippen die gebuikt zijn in het kader van het vaststellen van het bezit in hoofdstuk 5 Wet IB 2001, in beginsel het civiele begrip leidend is. Hij leidt echter uit dezelfde parlementaire behandeling af dat in het geval van het begrip ‘(onroerende) zaak’, zoals gebruikt in artikel 5.3, tweede lid, onderdeel a Wet IB 2001, een afwijking van het civiele recht is gerechtvaardigd. De A-G meent dat slechts sprake is van een ‘zaak’ in vorenbedoelde zin in de situatie dat de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht én het gehele belang bij de waardemutatie van een goed heeft (volledig eigendom). De A-G meent dat ook een huurrecht een genotsrecht is. Dit blijkt zowel uit de wetsgeschiedenis als uit de wetsystematiek. De A-G stelt dat het begrip ‘zaak’ zoals hierboven gedefinieerd, voor toepassing van de NSW-vrijstelling gelijkluidend is. Dit leidt tot de conclusie dat een verhuurd NSW-landgoed niet vrijgesteld wordt. Het eerste middelonderdeel van de Staatssecretaris, bestaande uit de stelling dat verhuur de NSW-vrijstelling blokkeert, slaagt hierom. Ten overvloede gaat de A-G in op het tweede middelonderdeel. Daarin bestrijdt de Staatssecretaris het oordeel van het Hof, inhoudende dat, in het geval dat bij het einde van de verhuur de meer- c.q. minderwaarde van de investeringen in en op de grond verrekend moeten worden met de huurder, de NSW-vrijstelling alsnog toepassing vindt. De A-G meent dat het oordeel van het Hof, dat in feite slechts een vergoedingsregeling is overeengekomen, niet onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. Dat oordeel, waarin besloten ligt dat het economisch belang niet verschoven is naar de huurder, leidt het Hof tot de conclusie dat de vrijstelling wel van toepassing is. Deze gevolgtrekking geeft zijns inziens, gelet op de hierboven gegeven definitie van het begrip ‘zaak’, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het tweede middelonderdeel faalt derhalve. De conclusie strekt tot het gegrond verklaren van het beroep in cassatie.
De uitspraak op rechtspraak.nl