Conclusie A-G IJzerman 10 november 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2303
Belanghebbende was eigenaar van een personenauto van het merk Daihatsu. Ten behoeve van de voldoening van parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam met haar mobiele telefoon, heeft zij de Daihatsu laten registreren bij Parkmobile. Via Parkmobile biedt de gemeente parkeerders de mogelijkheid de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen door middel van het bij de aanvang van het parkeren aanmelden en bij het einde van het parkeren afmelden van een bij Parkmobile geregistreerd voertuig. Naast de Daihatsu heeft belanghebbende ook de Honda van haar vriend, waarin zij soms rijdt, laten registreren bij Parkmobile met zichzelf als gebruiker. Die registratie sluit aan bij het gegeven dat parkeerbelasting wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. Belanghebbende heeft op 7 april 2013 de Honda geparkeerd op een locatie te Amsterdam. Daarvoor heeft zij parkeerbelasting willen betalen via de Parkmobile-app op haar mobiele telefoon. Zij heeft een daarmee corresponderend bedrag (achteraf) betaald, door middel van maandelijkse incasso aan Parkmobile. Echter, belanghebbende heeft abusievelijk niet het kenteken van de Honda, maar dat van de Daihatsu via haar mobiele telefoon aan- en afgemeld bij Parkmobile. De Daihatsu stond toen met parkeervergunning elders in Amsterdam geparkeerd. De Heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, ter plaatse: de parkeercontroleur, heeft geconstateerd dat de Honda ter plekke stond geparkeerd. Omdat hij niet kon constateren dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan, heeft hij aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Belanghebbende heeft zich in bezwaar en beroep op het standpunt gesteld dat zij de parkeerbelasting voor de Honda wel heeft betaald, zij het met invoering van een verkeerd kenteken, namelijk dat van haar Daihatsu, in de Parkmobile-app. Het standpunt van de Heffingsambtenaar houdt in dat nu belanghebbende in de app niet het kenteken van de auto waarvoor moet worden betaald heeft ingetoetst, dat moet betekenen dat voor deze auto geen parkeerbelasting is betaald, oftewel voldaan. Daarom is de naheffingsaanslag na bezwaar gehandhaafd. Het Hof heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Nu belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting voor het parkeren van een voertuig ter plekke, gedurende de aangegeven parkeertijd, heeft betaald, is naar het oordeel van het Hof, ondanks het invoeren van een ander kenteken dan dat van het geparkeerde voertuig, toch sprake van het voldoen op aangifte van de belasting voor het onderhavige parkeren. Alsdan is volgens het Hof naheffen van parkeerbelasting niet toegelaten. Parkeerbelasting moet door de gebruiker van de geparkeerde auto worden voldaan, dat wil zeggen: betaald, op (elektronische) aangifte. Doordat belanghebbende het verkeerde kenteken heeft ingegeven in de Parkmobile-app is hier sprake van een onjuiste aangifte. Dit enkele gegeven sluit volgens de A-G niet uit dat naderhand, na bezwaar, kan komen vast te staan dat de verschuldigde belasting toch is betaald. Naheffing van niet voldane parkeerbelasting moet plaatsvinden op basis van artikel 20 AWR. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie inzake artikel 20 AWR volgt dat de verplichting tot het doen van aangifte en de verplichting tot betaling van de belasting weliswaar nauw met elkaar samenhangen, maar niettemin afzonderlijke verplichtingen vormen. Slechts een onvolledige of ontbrekende betaling vormt het aangrijpingspunt voor naheffing. Er kan, naar het de A-G voorkomt, ook rechtsgeldig betaald zijn hoewel de aangifte onjuist is. Dat betekent dat moet worden nagegaan of de onderhavige wijze van betaling, met invoering van het verkeerde kenteken, gezien de naderhand na bezwaar gebleken feitelijke omstandigheden, kan worden aangemerkt als de betaling van parkeerbelasting voor de geparkeerde Honda. Vast staat dat belanghebbende ter zake van het parkeren van een auto ter plekke een bedrag aan parkeerbelasting van € 5 via Parkmobile heeft betaald en dat dit bedrag als zodanig klopt. Tevens staat vast dat belanghebbende ten onrechte aangifte heeft gedaan voor haar Daihatsu, die op dat moment elders in de stad met parkeervergunning stond geparkeerd. Die aangifte is echter niet beslissend voor de uitleg van het begrip ‘betalen’, en daarmee de voldoening. Noch in de belastingwetgeving noch in de fiscale jurisprudentie komt een eigen begrip ‘betalen’ voor. Voor uitleg en omschrijving van het begrip ‘betaling’ zal dus elders moeten worden gezocht, met name in het civiele recht. Het bestuursrecht haakt hier in principe aan bij het civiele recht. Wel is er fiscale jurisprudentie waarin is beslist dat het feit dat bij overmaking van verschuldigde belasting door de belastingplichtige een onjuist aanslagnummer is vermeld, niet aan betaling in de weg behoeft te staan. Achteraf kan namelijk blijken welke bedoelingen de belastingplichtige heeft gehad met welke betalingen. Het ligt volgens de A-G in de rede die jurisprudentie door te trekken naar het geval dat bij de aangifte parkeerbelasting een onjuist kenteken is ingevoerd, als nadien, in bezwaar door de belastingplichtige uitgelegd. Het komt de A-G voor dat er gemeten naar maatstaven van burgerlijk recht naar aanleiding van een gedane betaling ook achteraf ruimte is voor uitleg en toerekening van de betaling van de kant van de betaler. Op een en ander stuiten beide middelen af. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Amsterdam ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 81 RO
- Artikel 101a RO
- Artikel 1 AWR
- Artikel 5 AWR
- Artikel 10 AWR
- Artikel 19 AWR
- Artikel 20 AWR
- Artikel 21 AWR
- Artikel 22 AWR
- Artikel 24 AWR
- Artikel 10 Wet MRB 1966
- Artikel 16 Wet MRB 1966
- Artikel 6:43 BW6
- Artikel 6:114 BW6
- Artikel 6:203 BW6
- Artikel 6:212 BW6
- Artikel 225 Gemw
- Artikel 230 Gemw
- Artikel 231 Gemw
- Artikel 234 Gemw
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 18 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2495
- Rb. Gelderland 15 oktober 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:3729
- HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7172
- HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3840
- HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3847
- Hof 's-Gravenhage 6 juli 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1209
- HR 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1593
- Rb. 's-Gravenhage 13 juli 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY8345
- Hof Amsterdam 19 maart 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6650
- Hof 's-Gravenhage 13 september 2002, ECLI:NL:GHSGR:2002:AS2266
- Hof Arnhem 14 juni 2001, ECLI:NL:GHARN:2001:AB2964
- HR 15 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5139
- HR 3 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2686
- Hof 's-Hertogenbosch 9 februari 1998, ECLI:NL:GHSHE:1998:AA6054
- HR 8 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3187
- HR 8 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3200
- HR 22 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8642
- HR 22 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8643
- HR, ECLI:NL:HR:2010:BN3949