Conclusie A-G Harteveld 25 augustus 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2083
OM-cassatie. Beschikking op klaagschrift a.b.i. art. 164.8 WVW 1994. Teruggave van een buitenlands rijbewijs. Uit het samenstel van de bepalingen in art. 164.1-4 WVW 1994 volgt dat buitenlandse rijbewijzen kunnen worden ingevorderd en ingehouden in de gevallen bedoeld in art. 164.2 en 3 WVW 1994. Anders dan de Rb heeft geoordeeld is daarbij niet vereist dat de houder van het rijbewijs in NL woonachtig is. Daaraan doet niet af dat in de gevallen waarin art. 180.4 WVW 1994 toepasselijk is o.g.v. art. 180.8 WVW 1994 de verplichting om het rijbewijs in te leveren niet geldt indien de houder van het buitenlandse rijbewijs niet in NL woonachtig is. Art. 180.4 WVW 1994 is immers alleen van toepassing indien het rijbewijs ten tijde van de tenuitvoerlegging van de ontzegging van de rijbevoegdheid (nog) niet is ingevorderd dan wel (na invordering) is teruggeven. De bepaling ziet derhalve op andere gevallen dan gevallen als i.c. waarin het rijbewijs meteen na aanhouding van verdachte is ingevorderd en nadien is ingehouden. Volgt terugwijzing naar de Rb.
De uitspraak op rechtspraak.nl