Conclusie A-G IJzerman 24 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2017

Belanghebbende heeft het recht van opstal verkregen op een onroerende zaak welke deel uitmaakt van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 (NSW) aangewezen groter landgoed. De onroerende zaak was tot en met 31 december 2012 ongebouwde grond. Het recht van opstal is gevestigd onder de ontbindende voorwaarde dat geen bouwvergunning zal kunnen worden verkregen voor de bouw van ten minste vier woningen op de onroerende zaak. Nadat op 12 september 2012 een omgevingsvergunning was verleend voor het bouwplan, is het recht van opstal op 28 december 2012 onvoorwaardelijk geworden. Bij waardebeschikkingen WOZ voor de jaren 2010, 2011 en 2012 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 1.000.000. De aan belanghebbende opgelegde aanslagen OZB (‘eigenarenbelasting’) belopen per jaar ruim € 4.000. In geschil is of belanghebbende terecht een beroep heeft gedaan op de uitzondering voor NSW-landgoederen, op grond waarvan de waarde van de onroerende zaak buiten aanmerking zou moeten worden gelaten bij de bepaling van de WOZ-waarde en de vaststelling van de OZB-aanslagen. Het Hof heeft geoordeeld dat de stelling van de Heffingsambtenaar dat doel en strekking van de NSW-vrijstelling met zich brengen dat deze vrijstelling enkel de eigenaar van de onroerende zaak toekomt, geen steun vindt in het recht. Belanghebbende bepleit daarom naar het oordeel van het Hof terecht, dat de waarde van de onroerende zaak van de WOZ-waarde dient te worden uitgezonderd. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat tussen partijen niet in geschil is dat dan de WOZ-waarde van de onroerende zaak nihil dient te bedragen, hetgeen dus ook moet gelden voor de op die waarde gebaseerde OZB-aanslagen. Het cassatiemiddel van B&W gemeente Nijmegen strekt ten betoge dat het objectieve doel van de vrijstelling voor NSW-landgoederen dient te prevaleren boven de letterlijke tekst van de uitzondering in de Wet WOZ en de Gemeentewet. Volgens B&W gemeente Nijmegen is het doel van de NSW de stimulering van de ontwikkeling en instandhouding van landgoederen die bijdragen aan het behoud van natuurschoon in Nederland. Om dit doel te bereiken zijn er voor de eigenaar fiscale faciliteiten in ruil voor een verplichting tot instandhouding als landgoed. De wetgever zou volgens B&W gemeente Nijmegen niet hebben beoogd de bestaande waarde van een ‘bouwterrein’, als waarop het opstalrecht van belanghebbende ziet, buiten aanmerking te laten, louter vanwege het feit dat dit zich op een NSW-landgoed bevindt. De A-G merkt op dat ingevolge artikel 18, lid 1, Wet WOZ de waarde van een onroerende zaak wordt bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft. Echter, ingevolge artikel 18, lid 4, Wet WOZ kan waardebepaling achterwege blijven in gevallen waarin de WOZ-waarde van een onroerende zaak voor geen van de bij waardevaststelling betrokken partijen (de ‘afnemers’) van belang kan zijn, omdat een bepaald object niet in de heffing van belasting kan worden betrokken. De uitzonderingsgevallen van artikel 18, lid 4, Wet WOZ zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ. Hierin is onder meer bepaald dat onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, buiten aanmerking worden gelaten bij de waardebepaling. De uitzondering van NSW-landgoederen gaat echter, naar de A-G opmerkt, niet zover dat daaronder ook zouden kunnen vallen daarop voorkomende gebouwde eigendommen en ondergrond. De NSW-uitzondering kan dus slechts betrekking hebben op ongebouwde grond. Ingevolge artikel 220d, lid 1, sub d, Gemeentewet geldt de uitzondering van NSW-landgoederen ook bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen. De A-G meent dat de teksten van de geldende wettelijke regelingen steun bieden voor ’s Hofs oordeel dat de waarde van het recht van opstal dat belanghebbende heeft op een onbebouwd perceel grond dat deel uitmaakt van een NSW-landgoed, moet worden uitgezonderd van de WOZ-waarde. De A-G gevoelt niet voor de opvatting dat een onroerende zaak welke in feite nog ongebouwd is, maar in een latere periode volgens plan zal worden bebouwd, reeds vanwege het bestaan van een dergelijk bouwplan niet meer als ongebouwd zou kunnen worden aangemerkt. Dat lijkt de A-G geen goede weerspiegeling van de actuele situatie. Het komt de A-G voor dat er bezien vanuit de achtergronden van de NSW, het belang van natuurbescherming, wetenschap en recreatie, iets te zeggen zou zijn voor het standpunt van B&W gemeente Nijmegen. De A-G meent echter dat er in de wetsgeschiedenis en de wetssystematiek te weinig aanknopingspunten zijn om in afwijking van de heldere tekst van de Gemeentewet een door B&W gemeente Nijmegen beoogde beperking aan te brengen in de kring van belastingplichtigen op wie de uitzondering van NSW-landgoederen ingevolge de Gemeentewet van toepassing is, zodat het middel faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van B & W gemeente Nijmegen ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken