Conclusie A-G IJzerman 2 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:192
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 april 2014, nr. BK-13/00342, ECLI:NL:GHDHA:2014:1769, FutD 2014-1302 en V-N 2014/35.2.4. Belanghebbende hield een aandelenbelang in een Nederlandse B.V. en in een Egyptische vennootschap. Bij brief van 20 juli 2010 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld voornemens te zijn van de aangifte over 2007 af te wijken. De Inspecteur heeft vervolgens op 29 oktober 2010 aan belanghebbende een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 152.947 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 33.688 alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 19.347. Na bezwaar is daarop uitspraak gedaan op 22 mei 2012. Het geschil bij de Rechtbank en het Hof heeft zich met name toegespitst op de vraag of schending van de informatieverplichting van artikel 47 AWR er hier toe kan leiden dat omkering en verzwaring van de bewijslast intreedt. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat daartoe een onherroepelijke informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR vereist zou zijn. Die is echter niet vastgesteld, zodat volgens belanghebbende geen omkering kan volgen. Het Hof heeft geoordeeld dat hier het oude artikel 25, derde lid, AWR, betreffende de omkering, van toepassing is. Maatgevend daartoe heeft het Hof geacht dat in fiscale kwesties waarin op 1 juli 2011, het wettelijke tijdstip van inwerkingtreding van de informatiebeschikking, bezwaar aanhangig is, artikel 25, derde lid, AWR van toepassing is zoals dat gold vóór 1 juli 2011. Aan een informatiebeschikking wordt volgens het Hof dan nog niet toegekomen. Nu belanghebbende niet aan de informatieplicht van artikel 47 AWR heeft voldaan, rust op hem de last overtuigend aan te tonen dat de aanslag onjuist is. Aldus het Hof. Tegen dit oordeel, alsmede tegen het oordeel van het Hof omtrent het ontvangen hebben van een bedrag als dividend of winstuitdeling, is het cassatieberoep van belanghebbende gericht. Het eerste middel ziet op de overgangsrechtelijke vraag op welk moment, na de wettelijke invoering van de informatiebeschikking per 1 juli 2011, al dan niet een informatiebeschikking moet worden vastgesteld naar aanleiding van (vermeende) schending van de informatieverplichting van artikel 47 AWR, alvorens eventueel, na onherroepelijk worden van de informatiebeschikking, kan worden toegekomen aan omkering en verzwaring van de bewijslast. De A-G merkt op dat hier op 1 juli 2011 de aanslag al was opgelegd, maar de uitspraak op bezwaar nog niet gedaan was. In dat kader rijst de vraag welk recht op de onderhavige aanslagen van toepassing is. Er is niet voorzien in afzonderlijk wettelijk overgangsrecht. Het lijkt de A-G dat bij ontbreken van wettelijk overgangsrecht als uitgangspunt moet gelden dat een wetswijziging onmiddellijke werking heeft. Wetswijzigingen van formeelrechtelijke aard zoals de onderhavige zijn daarmee in beginsel zijns inziens direct van toepassing op lopende procedures. Echter, in casu is het volgens de A-G de vraag tot in welk stadium van de lopende procedure de onderhavige wetswijziging, invoering van de informatiebeschikking, nog effect kan hebben. De A-G meent dat in gevallen als onderhavige, waarin de constatering van de schending van de informatieplicht zich al voor de aanslagoplegging heeft voorgedaan en bovendien al is meegedeeld voorafgaand aan de aanslagoplegging, geldt dat het gevolg van intreding van de omkering in de aanslagfase is voltooid. De invoering van de informatiebeschikking heeft tot doel versterking van de rechtszekerheid van belastingplichtigen. Daarbij past, naar de A-G meent, dat de inspecteur meteen in de fase waarin schending is geconstateerd tot vaststelling van een informatiebeschikking moet overgaan, bij gebreke waarvan die mogelijkheid hem ontvalt. Dat betekent volgens de A-G dat indien bij de inspecteur een bepaalde schending al bekend was voorafgaand aan de aanslagoplegging, voordien moet worden overgegaan tot vaststelling van een informatiebeschikking. Daarvan uitgaande meent de A-G dat de Inspecteur in casu na de aanslagoplegging, niet meer kon overgaan tot vaststelling van een informatiebeschikking als voorzien bij wetswijziging met ingang van 1 juli 2011, zodat het oude recht op die aanslag van toepassing blijft. Aldus faalt het eerste middel. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende een bedrag heeft ontvangen als winstuitdeling uit de Egyptische vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang had. In het tweede middel wordt gesteld dat dit oordeel feitelijk onjuist is. De A-G merkt daarover op dat het bestreden oordeel ziet op waardering van bewijsmiddelen en daarmee op feitelijke beoordelingen die in principe aan het Hof moeten worden gelaten. Het komt de A-G voor dat die beoordelingen niet zijn aan te merken als onbegrijpelijk, hetgeen betekent dat er in cassatie niet nader op kan worden ingegaan. Daarop stuit het tweede middel af. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 9 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:10
- Hof Arnhem-Leeuwarden 23 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:10021
- Hof Arnhem-Leeuwarden 23 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:10244
- Hof Amsterdam 27 november 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5074
- Hof 's-Hertogenbosch 13 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4697
- Hof Den Haag 3 september 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2960
- HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144
- Hof Den Haag 16 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2401
- Hof Amsterdam 10 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4321
- Hof Amsterdam 10 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4380
- Hof Amsterdam 10 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4381
- Hof Arnhem-Leeuwarden 13 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3917
- Hof Den Haag 15 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1769
- Hof Amsterdam 20 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1171
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1375
- HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0899
- Hof Amsterdam 24 november 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6296
- Hof Amsterdam 20 oktober 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU1566
- HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL2119
- HR 29 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0867