Conclusie A-G IJzerman 30 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1377

Belanghebbende was tot 31 juli 2007 aandeelhouder van [A] B.V. Op 5 maart 2007 heeft laatstgenoemde een verhuurde kantoorvilla verkocht en daarbij een boekwinst behaald van € 973.227. Belanghebbende heeft het vervreemdingsvoordeel vervolgens in rekening courant bij [A] opgenomen. Op 31 juli 2007 heeft belanghebbende voor een bedrag van € 869.570 de aandelen in [A] verkocht en geleverd aan [F] B.V. Bij de overdracht van de aandelen heeft belanghebbende een bedrag van € 273.250 gestort op de derdenrekening van de notaris waarna een rekening-courantschuld van belanghebbende aan [A] resteerde van € 743.048. In de akte van levering van aandelen is onder meer voorzien in een vrijwaring van belanghebbende voor een eventuele aansprakelijkheid op grond van artikel 40 IW voor belastingschulden van [A] door het vestigen van een recht van hypotheek op nog door [A] te verwerven onroerende zaken. Het overgrote deel van de koopsom voor de aandelen [A] is gefinancierd doordat [F] de rekening courantschuld van belanghebbende aan [A] heeft overgenomen. Het restant van de koopsom ad € 126.522 is aan belanghebbende schuldig gebleven ten titel van geldlening. [F] heeft uiteindelijk een deel van het bedrag op de derdenrekening benut om de schuldig gebleven koopsom te voldoen. De Inspecteur heeft aan [A] ambtshalve een aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2007 opgelegd, waarin de behaalde boekwinst is begrepen. Nadat betaling was uitgebleven heeft de Ontvanger belanghebbende voor een bedrag ad € 250.432 aansprakelijk gesteld. Belanghebbende is tegen de beschikking aansprakelijkstelling in bezwaar en (hoger) beroep gekomen. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de beschikking aansprakelijkstelling vernietigd omdat het Hof van oordeel is dat rechtspersonen niet op grond van artikel 40 IW aansprakelijk kunnen worden gesteld en ook overigens aannemelijk is dat belanghebbende niet wist of behoorde te weten dat de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger illusoir zouden worden gemaakt. De Staatssecretaris is met twee middelen tegen de oordelen van het Hof opgekomen. In het eerste middel wordt geklaagd over het oordeel van het Hof dat uit de tekst van artikel 40 IW niet anders kan worden afgeleid dan dat deze bepaling ziet op natuurlijke personen. De A-G is echter van opvatting dat de tot stand gekomen tekst van artikel 40, lid 1, IW in het licht van de overige leden van artikel 40 IW en de wetsgeschiedenis, aldus moet worden gelezen dat de kring van op grond van artikel 40 IW aansprakelijk te stellen personen is beperkt tot natuurlijke personen. Aldus faalt het eerste middel. Het, naar de A-G meent, falen van het eerste middel, betekent reeds dat dit beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard, zodat er geen belang meer is bij de behandeling van het tweede middel. Niettemin gaat de A-G ook op dat middel in. In het tweede middel wordt met een aantal motiveringsklachten opgekomen tegen belanghebbendes disculpatie, doordat het Hof is gekomen tot het oordeel dat belanghebbende voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er geen sprake van is geweest dat belanghebbende ten tijde van de vervreemding van de aandelen in [A] wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen door het entameren van buiten de normale bedrijfsuitoefening liggende handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger illusoir zou maken. De A-G wil van de gelegenheid gebruik maken om aandacht te vragen voor het algemene kader waarin motiveringsklachten in cassatie kans van slagen kunnen hebben en voor de aan de formulering van motiveringsklachten naar zijn mening te stellen eisen. Dienaangaande merkt de A-G op dat de door een hof (c.q. rechtbank) gemaakte feitelijke afwegingen en oordelen in principe worden overgelaten aan het hof (of de rechtbank) als feitenrechter. De Hoge Raad houdt daarvan afstand, omdat hij zelf geen feitenrechter is. Dergelijke feitelijke oordelen zijn in cassatie slechts aantastbaar indien de Hoge Raad van oordeel is dat bepaalde overwegingen in een hofuitspraak ‘onbegrijpelijk’ zijn in cassatietechnische zin. Van onbegrijpelijkheid is bijvoorbeeld sprake als door een hof gegeven oordelen innerlijk tegenstrijdig zijn, relevante stellingen geheel onbesproken zijn gelaten of een hof is gekomen tot een conclusie die nooit had kunnen worden getrokken op basis van de eerder vastgestelde feiten. De Hoge Raad casseert pas als een gevolgtrekking niet uit de vaststaande feiten kan volgen. De A-G meent dat net als het geval is bij civiele cassaties, in het bijzonder van een professionele partij mag worden verwacht dat indien een motiveringsklacht (mede) is gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, in het middel de vindplaats(en) worden vermeld van die stellingen in de stukken van het geding. In casu komt de A-G na inhoudelijke behandeling van de aangevoerde motiveringsklachten tot de opvatting dat die alle falen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van Staatssecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken