Conclusie A-G van Hilten 17 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:122

Belanghebbende is expediteur. Zij is door [X1] B.V. (hierna [X1]) ingeschakeld voor het vervoer van kleding van Azië naar Nederland. Op haar beurt heeft belanghebbende overeenkomsten gesloten met derden (hierna: de vervoerders) voor het feitelijke vervoer. De kosten die belanghebbende ten aanzien van het vervoer in rekening heeft gebracht aan [X1], zijn hoger dan de kosten die de vervoerders aan belanghebbende in rekening hebben gebracht. Bij een controle na invoer is gebleken dat in de aangiften voor het in het vrije verkeer brengen van de kleding voor de bijtelling op grond van artikel 32, lid 1, onder e, sub i, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) de kosten die de vervoerders aan belanghebbende hebben berekend in aanmerking zijn genomen, en niet de hogere vervoerskosten die belanghebbende aan [X1] in rekening heeft gebracht. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de hogere vervoerskosten die belanghebbende aan [X1] in rekening heeft gebracht, dienen te worden opgeteld bij de transactiewaarde. Naar aanleiding van de controle heeft de inspecteur aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (utb) uitgereikt omdat belanghebbende op een aantal aangiften als aangever staat vermeld. De vraag is welke kosten op grond van artikel 32, lid 1, onder e, sub i, van het CDW moeten worden opgeteld bij de transactiewaarde: de kosten die belanghebbende aan [X1] in rekening heeft gebracht (inclusief winstopslag) of de kosten die de vervoerders aan belanghebbende hebben berekend. Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank) kwam tot het oordeel dat op grond van artikel 32, lid 1, onder e, sub i, CDW de vervoerskosten die belanghebbende aan [X1] in rekening heeft gebracht dienen te worden bijgeteld bij de transactiewaarde. Hof Amsterdam (hierna: het Hof) komt onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) van 6 juni 1990, Unifert, C-11/89 tot dezelfde slotsom als de Rechtbank. Belanghebbende is in cassatie opgekomen tegen dit oordeel. A-G Van Hilten begint haar conclusie met de basis: op grond van artikel 29 CDW is de maatstaf voor de heffing van douanerechten (de douanewaarde) de transactiewaarde. Deze betreft de verkoopprijs die tussen de koper en verkoper is overeengekomen. Om te voorkomen dat koper en verkoper bepaalde kostenelementen buiten de verkoopprijs houden om zo de douanewaarde te drukken, moet op grond van artikel 32 CDW een aantal elementen worden opgeteld bij de transactiewaarde, waaronder de kosten van vervoer (artikel 32, lid 1, onder e, sub i, CDW). Vervolgens bespreekt de A-G een aantal arresten van het HvJ. Uit deze jurisprudentie leidt de A-G onder andere af dat het begrip ‘kosten van vervoer’ niet beperkt is tot de daadwerkelijke goederenbeweging en dat ook nevenprestaties die nauw samenhangen met het vervoer tot de kosten van vervoer (kunnen) worden gerekend. A-G Van Hilten constateert dat de extra kosten die belanghebbende berekent niet de vergoeding vormen voor extra dienstverlening: partijen spreken van een winstopslag. Naar de mening van de A-G is dan ook niet zo zeer de vraag of de winstopslag tot de kosten van vervoer kan worden gerekend, maar wiens kosten zijn bedoeld in artikel 32 CDW. Op grond van doel en strekking van genoemde bepaling en gelet op de jurisprudentie van het HvJ meent de A-G dat met de ‘kosten van vervoer’ van artikel 32 CDW niets anders bedoeld kan zijn dan de kosten van vervoer die op de koper/importeur drukken. Het voorgaande brengt de A-G tot de slotsom dat in casu de bij de transactiewaarde op te tellen vervoerskosten, de kosten zijn die belanghebbende aan [X1] berekent. A-G Van Hilten geeft de Hoge Raad in overweging om het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken