Conclusie A-G Wattel 12 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:585
Recht van overgang (inmiddels afgeschaft); niet-ingezeten erflater laat onder meer Nederlands onroerend goed na aan niet-ingezeten weduwe; is het onthouden van de partnervrijstelling voor het successierecht in strijd met EU-recht (vrij kapitaalverkeer)? Zaak HvJ EU C-181/12 (Welte): nationale behandeling van de grensoverschrijdende situatie of Schumacker-geval? Feiten: in 2008 is in Duitsland, overleden de erflater, die Nederlander was, in Duitsland woonde en Nederland meer dan tien jaar eerder metterwoon had verlaten. De belanghebbende is zijn weduwe en enige erfgename. Tot de nalatenschap behoren onder Nederlandse onroerende zaken die na aftrek van toerekenbare hypothecaire schulden € 270.799 vertegenwoordigen. Dat is 78% van de waarde van de volle verkrijging die in casu gelijk is aan de volle nalatenschap. In Duitsland is de belanghebbende, na toepassing van de daar vigerende echtgenotenvrijstelling, geen erfbelasting verschuldigd. Geschil: In geschil is of het niet-toekennen van de partnervrijstelling ex art. 32(1)(4)(a) Sw in strijd is met het vrije kapitaalverkeer in de EU. Vaststaat dat als de erflater in Nederland had gewoond, een hogere vrijstelling dan € 270.799 zou hebben gegolden, óók als de vrijstelling slechts voor 78% zou worden toegekend, zodat geen recht verschuldigd zou zijn geweest. De Rechtbank zag geen relevant verschil tussen belanghebbendes geval en dat van de verkrijger in de zaak HvJ EU C-181/12, Welte, waarin het Hof oordeelde dat de vrijheid van kapitaalverkeer geen berekening van erfbelasting toelaat waarin de belastingvrije som bij vererving van binnenlands onroerend goed lager is wanneer de erflater en de verkrijger in een ander land woonden dan de belastingvrije som wanneer minstens één van hen ingezeten zou zijn. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep gegrond verklaard en de aanslag vernietigd. Cassatiemiddel Staatssecretaris: in casu geldt de Schumacker-jurisprudentie van het HvJ EU: het is aan het land van de onbeperkte belastingplicht (Duitsland) om belastingvrije sommen te verlenen en dat is in casu ook gebeurd. Dat het HvJ EU anders oordeelde in de zaak Welte wordt verklaard doordat in Duitsland – anders dan in Nederland – een in Duitsland wonende erfgenaam, ook als Duitsland slechts een deel van de gehele nalatenschap in de heffing betrekt, toch aanspraak kan maken op de volledige echtgenotenvrijstelling. A-G Wattel meent dat uit de zaak Welte blijkt dat het enkele verschil tussen beperkte en onbeperkte belastingplicht geen grond is om vrijstelling te weigeren. De Duitse zaak Welte betrof een echtgenotenvrijstelling ad € 500.000 die slechts beschikbaar was als de erflater, de verkrijger of beiden ten tijde van het overlijden in Duitsland woonden (in welk geval de erfgenamen daartegenover echter onbeperkt belastingplichtig waren, dus niet alleen voor situszaken). Het HvJ EU achtte dit een niet-gerechtvaardigde beperking van het kapitaalverkeer. Hij verwierp het op zijn Schumacker-jurisprudentie gebaseerde verweer dat Welte’s geval van beperkte belastingplicht objectief verschilde van het binnenlandgeval met onbeperkte belastingplicht. Omdat de ratio van de echtgenotenvrijstelling niet samenhing met de woonplaats van de verkrijger, maar met de verwantschap tussen verkrijger en erflater, achtte het Hof zijn Schumacker-doctrine (geen belastingvrije sommen voor niet-inwoners, want die moeten door de woonstaat verleend worden) niet van toepassing. De (ratio van de) Nederlandse partnervrijstelling is volgens de A-G vergelijkbaar met (die van) de Duitse: vrij vermogen met het oog op verzorging en behoud van maatschappelijke positie op grond van verwantschap (in de zaak Welte: "verzekeren dat een deel van het gezins-vermogen door de vermindering van het totale bedrag van de nalatenschap wordt vrijgesteld."). Die criteria staan los van (niet-)ingezetenschap. Bezien vanuit die criteria bevinden erfgenamen van niet-ingezetenen zich volgens het HvJEU in een vergelijkbare positie als erfgenamen van ingezetenen, zodat de Schumacker-leer niet geldt. De A-G acht de redenering van het HvJ EU in de zaak Welte niet begrijpelijk in het licht van zijn Schumacker/De Groot-jurisprudentie voor de inkomstenbelasting, maar aangezien die jurisprudentie volgens de A-G onjuist is en in strijd met EU-recht, juicht hij toe dat het Hof er in de zaken Mattner en Welte afstand van neemt voor de erfbelasting, al is het met een moeilijk te volgen redengeving in strijd met de Schumacker-leer voor de inkomstenbelasting. Voor de erfbelasting wordt door de Mattner/Welte-jurisprudentie wél het correcte resultaat bereikt (nationale behandeling van de grensoverschrijdende situatie), nl. door fractionele (evenredige) belastingheffing van beperkt belastingplichtigen: aan de belanghebbende moet zijns inziens 78% toegekend moeten worden van de partnervrijstelling die berekend zou zijn in een overigens gelijk geval waarin de erflater inwoner was. De A-G meent dat na het arrest Welte niet meer is toegestaan de andere methode voor de bepaling van het referentiebedrag aan belasting dat in een intern geval geheven zou zijn (de binnenlandse-boedelmethode zonder vrijstellingen), zoals door de Hoge Raad toegepast in HR BNB 2009/209. In casu kan de methode echter in het midden blijven, nu kennelijk niet in geschil is dat de waarde van belanghebbendes belastbare verkrijging lager is dan 78% van de vrijstelling die in een overigens gelijk binnenlandgeval toegekend zou zijn. Alsdan is zij hoe dan ook geen recht verschuldigd. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1774
- HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8998
- Hof van Justitie van de Europese Unie 10 mei 2012, ECLI:NL:XX:2012:BW6086
- Hof 's-Hertogenbosch 2 september 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU2920
- Hof van Justitie van de Europese Unie 22 april 2010, ECLI:NL:XX:2010:BM3196
- HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1822
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 16 oktober 2008, ECLI:NL:XX:2008:BG4361
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 11 september 2008, ECLI:NL:XX:2008:BF1285
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 11 december 2003, ECLI:NL:XX:2003:AV1409
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 12 december 2002, ECLI:NL:XX:2002:AF2164
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 14 september 1999, ECLI:NL:XX:1999:AV2314
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 14 februari 1995, ECLI:NL:XX:1995:AV8223