Conclusie A-G IJzerman 11 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:584
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 mei 2013, nr. 11/00597, ECLI:NL:GHSHE:2013:CA3091, NTFR 2013-1762, V-N 2013/40.1.5. Belanghebbende heeft ter zake van de uitvoer van een in Nederland geregistreerde personenauto verzocht om teruggaaf van BPM tot een bedrag van € 17.367. Daarbij is belanghebbende uitgegaan van een datum van eerste toelating tot de openbare weg (in Duitsland) van 9 juli 2009, als vermeld in het op basis van de kentekenregistratie verstrekte Nederlandse kentekenbewijs. De daadwerkelijke datum van eerste toelating tot de openbare weg is echter 23 juni 2005. Daarvan uitgaande wordt de teruggaaf een bedrag van € 8.001. In geschil is van welke datum voor de berekening van de teruggaaf dient te worden uitgegaan. Het Hof gaat uit van de weliswaar feitelijk onjuiste, maar in de kentekenregistratie opgenomen datum. Daarbij heeft het Hof kennelijk vooral waarde toegekend aan de omstandigheid dat het kentekenregister een zogenoemde basisregistratie betreft en dat de daarin opgenomen gegevens in beginsel verplicht door overheidsorganen moeten worden gebruikt. Daarbij hecht het Hof bovendien aan de omstandigheid dat ‘belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat de Inspecteur nagelaten heeft aan de RDW te melden dat de datum van eerste toelating van 9 juli 2009 onjuist is’. De A-G merkt op dat de invoering van het kentekenregister als basisregistratie vooral ziet op het gebruik daarvan door de overheid. Als deze gegevens door de overheid in principe verplicht moeten worden gebruikt, brengt dat volgens de A-G niet met zich mee dat daarmee rechtsbescherming zou zijn beoogd in de verhouding tussen burger en overheid. De terugmeldplicht ten aanzien van authentieke gegevens waaraan wordt getwijfeld moet volgens de A-G eveneens worden gezien in de context van de basisregistratie als gegevenshuishouding van de overheid. Dat de Inspecteur verweten kan worden dat hij de RDW niet heeft ingelicht over de onjuiste datum van eerste toelating nadat hij daarnaar onderzoek had gedaan naar aanleiding van belanghebbendes verzoek om teruggaaf, kan volgens de A-G niet met zich meebrengen dat de Inspecteur daarmee ‘de mogelijkheid verspeelt (…) af te wijken van het in het BRK geregistreerde (onjuiste) gegeven’, zoals het Hof heeft overwogen. De A-G meent dat dit noch uit de wettekst volgt noch uit de wetsgeschiedenis. Uit artikel 43b, lid 2, onderdeel d, Wvw volgt dat een overheidsorgaan zich niet behoeft te baseren op in het kentekenregister opgenomen authentieke gegevens als dat in de weg staat aan een goede vervulling van de publieke taak van het overheidsorgaan. Het is volgens de A-G aldus niet zo dat een overheidsorgaan ook zou moeten uitgaan van geregistreerde gegevens als bekend is dat die onjuist zijn. Een en ander moet, naar de A-G meent, betekenen dat onjuist is ’s Hofs oordeel ‘dat de Inspecteur voor de teruggaaf van BPM in het onderhavige geval gebonden is aan de op het kentekenbewijs (en in het BKR) vermelde datum van eerste toelating van 9 juli 2009’. Het eerste middel slaagt. Als het eerste middel inderdaad slaagt bestaat aan behandeling van het tweede middel geen behoefte meer. De A-G merkt echter op dat in het tweede middel een klacht is aangevoerd die naar zijn mening doel treft. De teruggaafregeling heeft tot doel alleen het gebruik in Nederland te belasten met BPM. Een redelijke wetsuitleg moet volgens de A-G dan met zich meebrengen dat belanghebbende recht heeft op teruggaaf van BPM uitgaande van de daadwerkelijke gegevens. In dit systeem is naar zijn mening geen plaats voor het toekennen van een zeer hoge teruggaaf bij latere uitvoer vanwege verkeerde registratie bij of na invoer. Overigens meent de A-G dat het door de Staatssecretaris aangehaalde arrest BNB 2012/230 specifiek betrekking heeft op artikel 71 van de Wet op de accijns, waarin uitvoering is gegeven aan een Europese richtlijn waarin is bepaald dat de teruggaaf van accijns niet hoger is dan het daadwerkelijk voldane bedrag. Daaruit mag volgens de A-G niet een algemene regel worden afgeleid dat een bedrag aan terug te geven belasting, zoals BPM, nooit hoger kan zijn dan de belasting die eerst, zoals bij invoer, is betaald. Voor zover het tweede middel daarop gericht zou zijn, moet het falen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 8 november 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4222
- HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5723
- Hof 's-Hertogenbosch 30 mei 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:CA3091
- Rb. 's-Gravenhage 6 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1772
- HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8250
- Hof Arnhem 29 maart 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ1338
- Rb. Rotterdam 3 maart 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL7607