Conclusie A-G Niessen 10 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:583
Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag IB/PVV opgelegd. In 2009 heeft belanghebbende een bedrag van omgerekend ca. € 28.800 aan zijn ex-echtgenote betaald ter zake van een zogenoemde uitgestelde ‘mahr’ (bruidsgave). Dit bedrag heeft hij in de aangifte IB/PVV voor dat jaar afgetrokken als ‘betaalde alimentatie en andere onderhoudsverplichtingen’. De Inspecteur heeft de aftrek geweigerd. In geschil is of de betaling van de ‘mahr’ kan worden aangemerkt als afkoopsom van een familierechtelijke onderhoudsverplichting. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard. Het Hof achtte aannemelijk dat de tussen belanghebbende en de ex-echtgenote overeengekomen uitgestelde ‘mahr’ tot doel heeft bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de echtgenote na de beëindiging van het huwelijk. Volgens het Hof heeft belanghebbende dit geloofwaardig toegelicht en verklaard. De omstandigheid dat de verschuldigdheid al bij het aangaan van het huwelijk is overeengekomen staat niet aan het aannemen van een onderhoudsverplichting in de weg. Op grond van artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001 zijn onderhoudsverplichtingen afkoopsommen van de in onderdeel a van die bepaling vermelde periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Nu de voorziening in het levensonderhoud bij uitstek vraagt om periodieke uitkeringen en/of verstrekkingen achtte het Hof aannemelijk dat de onderhavige eenmalige betaling ter voorziening in het levensonderhoud in de plaats komt van periodieke uitkeringen en of verstrekkingen. Daarom is de betaling aan te merken als een afkoopsom van dergelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. A-G Niessen concludeert onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2008, nr. 41983, BNB 2009/27 dat het Hof miskent dat de ‘mahr’ een wettelijke voorziening is en dat de vraag naar haar karakter of doelstelling niet van feitelijke aard is maar een rechtsvraag betreft. Het Hof had dan ook – zonodig ambtshalve – een onderzoek moeten instellen naar de juridische betekenis van de ‘mahr’ in het islamitische, meer in het bijzonder het Sunnitisch/Libanese, rechtsstelsel. Het Hof heeft door dit na te laten zijn taak ter zake van het onderzoek naar de betekenis van het Libanese recht verkeerd opgevat en zijn beslissing omtrent de uitlegging daarvan onvoldoende gemotiveerd. Echter, wat de zaak afdoet is dat belanghebbende niet heeft aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat zijn gewezen echtgenote tegenover het beding van de uitgestelde ‘mahr’ een rechtstreeks aan het familierecht ontleend recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen heeft prijsgegeven. Daarom kan de Hoge Raad zonder een beslissing te nemen over de uitlegging van vreemd recht – ambtshalve – oordelen dat belanghebbende niet de feitelijke gronden heeft gesteld die zijn claim tot aftrek van een afkoopsom ter zake van alimentatie schragen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie gegrond dient te worden verklaard en de uitspraak van het Hof dient te worden vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 22 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8006
- Rb. Rotterdam 22 februari 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN1643
- HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0181
- Rb. Utrecht 30 januari 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BC2923
- HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK8291
- HR 28 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1643
- HR 5 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX2952