Conclusie A-G IJzerman 22 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:382
A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 13/01874 naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 maart 2013, nr. 12/00196, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ2784, V-N 2013/615 en NTFR 2013/652. Belanghebbende is autohandelaar en maakt gebruik van de zogenoemde handelaarsregeling. Ter zake van een tot zijn bedrijfsvoorraad behorend motorrijtuig is op 3 november 2010 geconstateerd dat niet werd voldaan aan de voor de toepassing van de handelaarsregeling geldende voorwaarde dat indien met een motorrijtuig uit de handelsvoorraad gebruik wordt gemaakt van de openbare weg dat motorrijtuig moet zijn voorzien van handelaarskentekenplaten. In verband daarmee is een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd met een verzuimboete. Forfaitair wordt dan nageheven over een tijdsduur van twaalf maanden. Het Hof heeft ten aanzien van de opgelegde naheffingsaanslag geoordeeld dat deze moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM omdat deze naheffingsaanslag geen compensatie vormt voor eerder onbetaald gebleven belasting, maar een boetekarakter heeft. Ten aanzien van de door de Inspecteur opgelegde boete heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat het, nu reeds sprake is van een heffing met het karakter van een boete, niet is toegestaan (nog) een boete op te leggen en bovendien dat belanghebbende niet kan worden verweten dat belasting welke op aangifte had moeten worden voldaan (gedeeltelijk) niet of niet tijdig is betaald – conform de vereisten van artikel 67c AWR – zodat de opgelegde boete ook om deze reden door het Hof is vernietigd. Daarvan uitgaande heeft het Hof de naheffingsaanslag opgevat als ‘een heffing met het karakter van een boete’ en is gekomen tot de conclusie dat in casu ‘een boete van € 350 passend en geboden’ is. De bij de naheffingsaanslag door de Inspecteur opgelegde boete zou aldus een dubbele bestraffing opleveren, zodat deze boete volgens het Hof dient te vervallen. De A-G merkt op dat hier als dragend oordeel beslissend is voor alle eventuele verdere consequenties of het inderdaad zo is dat de oplegging van de onderhavige naheffingsaanslag is aan te merken als een ‘criminal charge’, zodat de naheffingsaanslag een boetekarakter krijgt. Of een maatregel moet worden aangemerkt als ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM, dient in de context van het EVRM verdragsautonoom te worden bezien. In dat kader zijn hier volgens de A-G met name van belang de door het EHRM genoemde criteria: ‘the nature of the offence’ en ‘the degree of severity of the penalty that the person concerned risked incurring’. Oftewel ‘de aard van de overtreding en de aard en zwaarte van de sanctie’. Blijkens de wetsgeschiedenis zijn de aan de handelaarsregeling gestelde voorwaarden van controle-technische aard. Dat strookt met het uitgangspunt van de handelaarsregeling, namelijk belasting betalen voor het gebruik van de weg. In de wetsgeschiedenis is uitdrukkelijk aan de orde geweest dat ‘onderscheiden dient te worden tussen de naheffing van de - zuivere - belasting en de verhoging die daarboven op wordt gelegd. Het eerste dient om datgene dat in de naheffingstermijn reeds had moeten zijn voldaan alsnog te heffen, het tweede is ter bestraffing van de gepleegde overtreding’. Daaruit blijkt volgens de A-G dat de wetgever deze naheffing niet als bestraffend heeft bedoeld. Dat de wetgever het naheffingstijdvak heeft gesteld op een jaar, heeft blijkens de wetsgeschiedenis vooral een praktische achtergrond. Aangezien bij constatering van ongeoorloofd weggebruik niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, wanneer de overtreder reeds eerder in gebreke is geweest, kan de naheffing niet exact worden berekend. In zoverre is de intentie van de wetgever, volgens de A-G, gericht op compensatie van niet betaalde belasting. De wetgever is daarmee fiscaal aan de veilige kant gebleven om misbruik van de handelaarsregeling te voorkomen. Dat lijkt de A-G iets anders dan het invoeren van een punitieve regeling. Dat in het huidige systeem bij een naheffing als hier aan de orde is, geen aftrek plaatsvindt van motorrijtuigenbelasting over de periode waarin (mogelijk al) de reguliere houderschapsbelasting door de voormalige houder was betaald, ziet de A-G als een gevolg van de wetssystematiek. Dat van het zekerheidshalve wat ruim gestelde naheffingstijdvak ook een zekere preventieve werking uitgaat, betekent volgens de A-G niet dat het opleggen van een naheffingsaanslag het karakter zou hebben van een ‘criminal charge’ in de zin van het EVRM. Het eerste middel van de Staatssecretaris slaagt. Bijgevolg is de gegrondheid van het tweede middel gegeven. Anders dan het Hof ziet de A-G, als gezegd, de naheffingsaanslag niet als ‘een heffing met het karakter van een boete’. Dat heeft tot gevolg dat de A-G in de door de Inspecteur bij de naheffingsaanslag opgelegde boete geen geval van dubbele beboeting ziet, zodat die boete niet deswege moet vervallen. Daartoe ziet de A-G, anders dan het Hof, ook geen andere reden. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 20 AWR
- Artikel 29 AWR
- Artikel 67c AWR
- Artikel 69 AWR
- Artikel 16 Wet MRB 1966
- Artikel 1 Wet MRB 1994
- Artikel 7 Wet MRB 1994
- Artikel 37 Wet MRB 1994
- Artikel 62 Wet MRB 1994
- Artikel 63 Wet MRB 1994
- Artikel 64 Wet MRB 1994
- Artikel 67 Wet MRB 1994
- Artikel 69 Wet MRB 1994
- Artikel 70 Wet MRB 1994
- Artikel 1 WVW
- Artikel 37 WVW
- Artikel 44 KR
- Artikel 3 Uitv besl MRB 1994
- Artikel 6 EVRM
- Artikel 7 EVRM
Aangehaalde uitspraken
- HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:691
- Hof 's-Hertogenbosch 12 december 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:6013
- HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1212
- HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:972
- HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:973
- Rb. Zeeland-West-Brabant 3 mei 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:5883
- Hof 's-Hertogenbosch 1 maart 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ2784
- Conclusie 18 februari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ3546
- HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6447
- HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6471
- Conclusie A-G WATTEL 10 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG4156
- HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1717
- HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4151
- HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD7142
- HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4060
- HR 23 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1787
- HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2337
- HR 28 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2391