Conclusie A-G IJzerman 22 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:381
A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 13/03336 naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juni 2013, nrs. 13/00038, 13/00039, 13/00040 en 13/00041, ECLI:NL:GHARL:2013:CA3909, V-N 2013/1512 en NTFR 2013/1601. Belanghebbende exploiteert een autobedrijf en beschikt over een zogenoemd handelaarskenteken. Ter zake van een tot zijn bedrijfsvoorraad behorend motorrijtuig is op 10 juli 2011, 14 juli 2011, 15 juli 2011 en 25 juli 2011 geconstateerd dat met het motorrijtuig van de weg gebruik is gemaakt terwijl dat niet voorzien was van handelaarskentekenplaten. Omdat aldus niet werd voldaan aan de voor de toepassing van de handelaarsregeling geldende voorwaarde dat indien met een motorrijtuig uit de handelsvoorraad gebruik wordt gemaakt van de openbare weg dat motorrijtuig moet zijn voorzien van handelaarskentekenplaten, zijn op grond van artikel 69 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 aan belanghebbende voor deze vier constateringen vier naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, alsmede telkens een verzuimboete. Forfaitair wordt dan nageheven over een tijdsduur van twaalf maanden. In geschil is of deze vier naheffingsaanslagen en boeten terecht zijn opgelegd. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur een naheffingsaanslag kan opleggen per kalenderdag waarop wordt geconstateerd dat niet aan de voorwaarden van de handelaarsregeling is voldaan en dat een naheffingsaanslag in dat geval steeds wordt berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag waarop is geconstateerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de handelaarsregeling. Volgens het Hof is dan ook terecht vier keer een naheffingsaanslag opgelegd. Dat belanghebbende de motorrijtuigenbelasting voor het handelaarskenteken heeft voldaan, staat volgens het Hof niet aan de onderhavige naheffingen in de weg nu deze zijn opgelegd ter zake van het niet voldoen aan de voorwaarden van de handelaarsregeling, en dus niet ter zake van het gebruik van een handelaarskenteken. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat oplegging van de naheffingsaanslagen niet is aan te merken als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM. In verband daarmee komt het Hof tot het oordeel dat geen sprake is van een dubbele bestraffing nu ook boeten zijn opgelegd. Het Hof acht die boeten overigens passend en geboden. Belanghebbendes klachten in cassatie behelzen het volgende. In de eerste plaats had het opleggen van deze naheffingsaanslagen volgens belanghebbende moeten worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM. In de tweede plaats meent belanghebbende de (reguliere) motorrijtuigenbelasting te hebben voldaan doordat hij een of meer van de naheffingsaanslagen en/of boeten heeft betaald. De A-G merkt op dat blijkens de wetsgeschiedenis de aan de handelaarsregeling gestelde voorwaarden van controle-technische aard zijn. Dat strookt met het uitgangspunt van de handelaarsregeling, namelijk belasting betalen voor het gebruik van de weg. In de wetsgeschiedenis is uitdrukkelijk aan de orde geweest dat onderscheiden dient te worden tussen de naheffing van de - zuivere - belasting en de verhoging die daarboven op wordt gelegd. Het eerste dient om datgene dat in de naheffingstermijn reeds had moeten zijn voldaan alsnog te heffen, het tweede is ter bestraffing van de gepleegde overtreding. Daaruit blijkt volgens de A-G dat de wetgever deze naheffing niet als bestraffend heeft bedoeld. Dat de wetgever het naheffingstijdvak heeft gesteld op een jaar, heeft blijkens de wetsgeschiedenis vooral een praktische achtergrond. Aangezien bij constatering van ongeoorloofd weggebruik niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, wanneer de overtreder reeds eerder in gebreke is geweest, kan de naheffing niet exact worden berekend. In zoverre is de intentie van de wetgever, naar het de A-G voorkomt, gericht op compensatie van niet betaalde belasting en dus niet punitief bedoeld. De handelaarsregeling vormt een uitzondering op de hoofdregel dat motorrijtuigenbelasting verschuldigd is ter zake van het houden van een motorrijtuig. Zonder de handelaarsregeling zou een houder belasting verschuldigd zijn over alle motorrijtuigen die tot zijn bedrijfsvoorraad behoren. De aan de handelaarsregeling verbonden naheffingsregeling heeft tot doel de belasting na te heffen die belanghebbende door gebruikmaking van de handelaarsregeling niet heeft voldaan over het houden van de motorrijtuigen die tot zijn bedrijfsvoorraad behoren, waarbij op forfaitaire wijze voor slechts één motorrijtuig wordt nageheven. Dat van het zekerheidshalve wat ruim gestelde naheffingstijdvak ook een zekere preventieve werking uitgaat, betekent volgens de A-G niet dat het opleggen van een naheffingsaanslag terzake het karakter zou hebben van een ‘criminal charge’ in de zin van het EVRM. ’s Hofs dienovereenkomstige oordeel acht de A-G dan ook juist. Dat wordt volgens de A-G niet anders waar het, zoals in casu, gaat om meerdere constateringen van gebruik van de weg, op verschillende kalenderdagen, zonder dat is voldaan aan de voorwaarden van de handelaarsregeling. Daaraan doet zijns inziens niet af dat de naheffingsaanslagen gedeeltelijk dezelfde tijdvakken betreffen en elkaar overlappen. Een en ander is volgens de A-G te zien als een gevolg van de wetssystematiek waarvoor nu juist uitdrukkelijk is gekozen om misbruik van de handelaarsregeling te voorkomen. Belanghebbendes betoog dat hij, kort gezegd, nu ten minste de reguliere motorrijtuigenbelasting voor de betreffende auto heeft betaald, kan hem volgens de A-G dus ook niet baten. Belanghebbendes klachten falen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 20 AWR
- Artikel 29 AWR
- Artikel 67c AWR
- Artikel 69 AWR
- Artikel 16 Wet MRB 1966
- Artikel 1 Wet MRB 1994
- Artikel 7 Wet MRB 1994
- Artikel 37 Wet MRB 1994
- Artikel 62 Wet MRB 1994
- Artikel 63 Wet MRB 1994
- Artikel 64 Wet MRB 1994
- Artikel 67 Wet MRB 1994
- Artikel 69 Wet MRB 1994
- Artikel 70 Wet MRB 1994
- Artikel 1 WVW
- Artikel 37 WVW
- Artikel 44 KR
- Artikel 3 Uitv besl MRB 1994
- Artikel 6 EVRM
- Artikel 7 EVRM
Aangehaalde uitspraken
- HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:691
- Hof 's-Hertogenbosch 12 december 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:6013
- HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1212
- HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:972
- HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:973
- Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA3909
- Rb. Zeeland-West-Brabant 3 mei 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:5883
- Hof 's-Hertogenbosch 1 maart 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ2784
- Conclusie 18 februari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ3546
- HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6447
- HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6471
- Conclusie A-G WATTEL 10 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG4156
- HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1717
- HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4151
- HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD7142
- HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4060
- HR 23 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1787
- HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2337
- HR 28 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2391