Conclusie A-G Niessen 18 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:380

X (hierna: belanghebbende) heeft een pakket aandelen in A (hierna: de vennootschap) in bezit. Dit pakket vormt een fictief aanmerkelijk belang. In de jaren 2001 en 2002 heeft belanghebbende putopties verworven op zijn aandelen in de vennootschap tegen betaling van een premie. Deze optierechten zijn vervallen door het verstrijken van de looptijd. In 2004 heeft belanghebbende een groot deel van zijn aandelenpakket in de vennootschap vervreemd. In geschil is of belanghebbende een deel van de door hem betaalde premies voor geëxpireerde putopties in mindering mag brengen op het in 2004 door hem genoten belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Het Hof heeft overwogen dat op grond van de wetssystematiek, de wettekst en de wetsgeschiedenis de betaalde premies voor geëxpireerde putopties terzake van tot het fictief aanmerkelijk belang behorende aandelen niet in mindering komen op de winst behaald met de vervreemding van een gedeelte van de aandelen. Het beroep op een met het gelijkheidsbeginsel strijdige ongelijke behandeling van gelijke gevallen wordt verworpen omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Evenmin kan de putoptiepremie worden aangemerkt als kosten van reguliere voordelen als bedoeld in artikel 4.15, lid 1, Wet IB 2001. A-G Niessen concludeert dat putopties buiten de definitie van artikel 4.4 en 4.6, onderdeel b, Wet IB 2001 vallen en in de wet ook overigens nergens worden aangemerkt als rechten die leiden tot een aanmerkelijk belang. Dit betekent dat tot het moment van uitoefenen putopties volledig buiten de aanmerkelijkbelangregeling blijven. Dit sluit ook aan bij de wetsgeschiedenis. Artikel 4.32 Wet IB 2001 dient dan ook te worden gezien als losstaande regeling voor putopties. Het is aan de wetgever om te bepalen welke voordelen hij aanmerkt als uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen getrokken, en zulks heeft hij voor wat de putoptie betreft in artikel 4.32 Wet IB 2001 gedaan. Het standpunt van belanghebbende dat in het onderhavige geval artikel 4.30, lid 2, Wet IB 2001 moet worden toegepast vanwege de bestaande economische gelijkheid van koop- en putopties gaat niet op. Weliswaar houden beide soorten opties in materieel opzicht een voorziening in met betrekking tot de toekomstige waardeontwikkeling van de onderliggende aandelen. Dat neemt niet weg dat er verschillen bestaan tussen de koopoptie en de putoptie. Het middel slaagt ook niet voor zover belanghebbende een beroep beoogt te doen op het verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel. Ten slotte heeft het Hof terecht geoordeeld dat de putoptiepremies niet als kosten van reguliere voordelen als bedoeld in artikel 4.15, lid 1, Wet IB 2001 in mindering komen op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken